Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/6.8.5.4
6.8.5.4 Toepasselijkheid van artikel 6 van het EVRM op het opleggen van Europese administratieve sancties
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS397265:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hoofdstuk 5, paragraaf 5.7.11.
HvJEG 18 november 1987, 137/85 (Maizena), Jur. 1987, p. 4587.
HvJEG 11 juli 2002, C-210/00 (Kaserei Champignon Hofmeister), Jur. 2002, p. 1-6453, AB 2002, 392, m.nt. A.J.C. de Moor-van Vugt.
Zie CBb 16 december 2011, LJN BV1042, r.o. 2.10; CBb 14 oktober 2011, LJN BU4531, r.o. 5.5; CBb 21 september 2011, LJN BT6180; CBb 14 juli 2011, LJN BT8943, r.o. 5.5.
CBb 23 april 2008, AB 2008, 233, m.nt. T. Barkhuysen (Socopa).
EHRM 30 juni 2005, AB 2006, 273, m.nt. T. Barkhuysen en M.L. van Emmerik (Bosphorusfierland). Zie hieromtrent uitgebreider, hoofdstuk 3, paragraaf 3.8.10.
Zie punt 5 van de noot van T. Barkhuysen bij CBb 23 april 2008, AB 2008, 233 (Socopa).
Zie CBb 23 april 2008, AB 2008, 233, m.nt. T. Barkhuysen (Socopa), r.o. 5.6.
Zie CBb 23 april 2008, AB 2008, 233, m.nt. T. Barkhuysen (Socopa), r.o. 5.6.
Zie punt 6 van de noot van T. Barkhuysen bij CBb 23 april 2008, AB 2008, 233 (Socopa).
Zie punt 6 van de noot van T. Barkhuysen bij CBb 23 april 2008, AB 2008, 233 (Socopa).
Zie hieromtrent paragraaf 3.8.10.
HvJEU 5 juni 2012, C-489/10 (Bonda), n.n.g., AB 2012, 315, m.nt. R.J.G.M. Widdershoven. Zie hoofdstuk 5, paragraaf 5.7.5.3.
Zie hoofdstuk 5, paragraaf 5.7.5.3.
De verwachtingen van het EHRM moeten niet te hooggespannen zijn, nu het waarschijnlijk is dat het arrest Bonda met het EHRM is afgestemd. Zie punt 5 van de annotatie van R.J.G.M. Widdershoven bij HvJEU 5 juni 2012, C-489/10 (Bonda), n.n.g., AB 2012, 315.
Bij het CBb is het aan de orde van de dag dat landbouwers in procedures volgend op aan hen opgelegde administratieve sancties betogen dat strijd bestaat met artikel 6 EVRM, bijvoorbeeld omdat zowel een strafrechtelijke boete is opgelegd op grond van het nationale recht als een administratieve sanctie in de vorm van een korting op grond van een Europese subsidieverordening. Aangevoerd wordt dat sprake is van dubbele bestraffing, hetgeen in strijd komt met het beginsel van ne bis in idem.1Onder verwijzing naar de arresten Maizena2 en Kijserei Champignon Hofmeister3 overweegt het CBb steevast dat door verordeningen betreffende het gemeenschappelijk landbouwbeleid uitgevaardigde sancties niet van strafrechtelijke aard zijn en daarmee buiten de reikwijdte van artikel 6 EVRM vallen.4
In de zaak Socopa gaat het CBb dieper in op de vraag in hoeverre artikel 6 EVRM in de weg kan staan aan het opleggen van een Europese administratieve sanctie.5
In deze zaak betoogt een exporteur aan wie twee verhogingen zijn opgelegd vanwege het feit dat is gehandeld in strijd met het verbod - ten tijde van de BSEcrisis - Brits rundvlees uit te voeren, dat de jurisprudentie van het Hof van Justitie op grond waarvan het beginsel van geen straf zonder schuld niet van toepassing is op deze verhogingen, afbreuk doet aan de rechten die hij aan artikel 6, tweede lid, van het EVRM kan ontlenen. De exporteur wist namelijk niet dat het om Brits rundvlees ging.
Het CBb heeft enerzijds te maken met de dwingende direct toepasbare Europese verhogingen en anderzijds met de verplichtingen die gelden onder het EVRM. Om aan deze tegenstrijdige verplichtingen het hoofd te bieden past het CBb de Bosphorus-jurisprudentie van het EHRM toe.6 Deze jurisprudentie probeert het belang van het goed functioneren van een supranationale organisatie als de EU te verzoenen met dat van een effectieve bescherming van EVRM-rechten.7 Het komt er op neer dat nationale maatregelen ter nakoming van Eu-verplichtingen worden verondersteld in overeenstemming met het EVRM te zijn, behoudens het geval dat de bescherming van rechten, ontleend aan het EVRM, onmiskenbaar te kort schiet. Het CBb leidt uit het arrest af dat een afstandelijke toetsing dient plaats te vinden, waarbij met name moet worden gelet op het algemeen belang dat is beoogd met de betrokken maatregelen en de beslissing van het Hof van Justitie, verbindend voor de nationale rechter en door deze gevolgd. Het CBb komt tot de conclusie dat het algemeen belang dat de verhogingen van de Verordening nr. 3665 /87 beoogt te beschermen niet alleen het financieel belang van de EU omvat, maar ook de waarborging tegen ondermijning van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en van de daarmee beoogde marktstabiliteit, een redelijke levensstandaard voor de landbouwers en redelijke voedselprijzen voor de consument.8 Het CBb ziet geen grond voor het oordeel dat de bescherming van rechten die de eindontvanger van de Europese subsidie ontleent aan het EVRM in het voorliggende geval overduidelijk tekort schiet.9
Barkhuysen geeft terecht aan dat de afstandelijke wijze van toetsing van het CBb iets onbevredigends heeft.10 Deze toetsing kan immers tot gevolg hebben dat een sanctiebesluit dat naar de normaal geldende maatstaven op grond van het EVRM onrechtmatig is, in stand moet worden gelaten louter vanwege het feit dat met het besluit uitvoering wordt gegeven aan Eu-verplichtingen die geen beslisruimte laten.11 Barkhuysen noemt twee oplossingen. Ten eerste een wijziging van de jurisprudentielijn van het Hof van Justitie, zodat zijn definitie van een sanctie van strafrechtelijke aard op één lijn wordt gesteld met de invulling van het begrip 'criminal charge'. Als tweede oplossing noemt Barkhuysen de toetreding tot het EVRM. In de literatuur bestaat echter discussie over de vraag in hoeverre de toetreding tot het EVRM zal betekenen dat het EHRM de Bosphorus-lijn niet langer zal voortzetten.12
In hoofdstuk 5 is besproken dat het Hof van Justitie pas in het recente arrest Bonda expliciet heeft uitgemaakt dat de sanctie van uitsluiting niet is aan te merken als een 'criminal charge' in de zin van artikel 6 EVRM.13 Aangenomen moet worden dat dit arrest betekenis heeft voor de kwalificatie van alle Europese administratieve sancties. In hoofdstuk 5 is besproken dat op de redenering van het Hof van Justitie wel valt af te dingen. Het belangrijkste argument van het Hof van Justitie voor de conclusie dat geen sprake is van een 'criminal charge' is dat ontvangers van Europese subsidies er zelf voor hebben gekozen deel te nemen aan de Europese subsidieregeling en daarom sprake is van de overtreding van normen die zijn gericht tot een specifieke groep, is namelijk niet overtuigend.14 Het lijkt erop dat het Hof van Justitie de zogenoemde 'Engelcriteria' oprekt, om maar niet tot het oordeel te hoeven komen dat sprake is van een 'criminal charge'. Zodra de EU toetreedt tot het EVRM, krijgt het EHRM de kans om zich over de juistheid van de redenering van het Hof van Justitie uit te spreken.15 Hoe dan ook, het arrest Bonda betekent een bevestiging van de hiervoor omgeschreven door het CBb gehanteerde jurisprudentielijn.