Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/7.4.1
7.4.1 Standing in de Amerikaanse rechtspraak
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS620294:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Zie LaFave, Israel & King 2004, p. 497, met verwijzing naar Baker v. Carr, 369 U.S. 186 (1962). Die laatste eis wordt ook wel in verband gebracht met het rechterlijke bevoegdheidsvereiste dat sprake moet zijn van een ‘case’ of ‘controversy’. Zie: Kilian, Costello & Thomas 2004, p. 1356. Het gaat de grondwettelijk verankerde bevoegdheid van de rechter te buiten om te oordelen over hypothetische kwesties.
Zie bijv. Minnesota v. Olson, 495 U.S. 91 (1990) en Minnesota v. Carter, 525 U.S. 83 (1998).
Zie bijv. Alderman v. United States, 394 U.S. 165 (1969), met verwijzingen naar verdere rechtspraak: ‘There is no necessity to exclude evidence against one defendant in order to protect the rights of another. (…) we are not convinced that the additional benefits of extending the exclusionary rule to other defendants would justify further encroachment upon the public interest in prosecuting those accused of crime and having them acquitted or convicted on the basis of all the evidence which exposes the truth’, aldus het Hooggerechtshof. Zie ook United States v. Padilla, 508 U.S. 77 (1993).
Zie: United States v. Jeffers, 342 U.S. 48 (1951) (drugs aangetroffen van de verdachte in hotelkamer waarin zijn tantes woonden en waarvan de verdachte een sleutel had en waarvan hij naar eigen goeddunken gebruik mocht maken) en Rawlings v. Kentucky, 448 U.S. 98 (1980) (drugs aangetroffen in handtasje van een ander waar verdachte ze snel in had gestopt nadat de politie was binnengetreden in een woning waarin hij met een aantal anderen op bezoek was).
525 U.S. 83 (1998).
Zie ook Jones v. United States, 362 U.S. 257 (1960) en Minnesota v. Olson, 495 U.S. 91 (1990).
392 U.S. 364 (1968).
394 U.S. 165 (1969).
Zie Whitebread & Slobogin 2008, p. 132-136.
Zie Whitebread & Slobogin 2008, p. 492.
Zie Harris v. New York, 401 U.S. 222 (1971).
Whitebread & Slobogin 2008, p. 493.
Zie Rakas v. Illinois 439 U.S. 128 (1978). De passagiers in een vluchtauto hadden, anders dan de eigenaar van die auto, geen standing om op te komen tegen de search van de auto, waarbij in het handschoenenvakje patronen waren aangetroffen en onder de passagiersstoel een afgezaagd geweer. In zijn argumentatie wees het Hooggerechtshof er onder meer op dat zij niet stelden eigenaar of bezitter van de auto of de inbeslaggenomen goederen te zijn en dat zij er niet in waren geslaagd aan te tonen een ‘legitimate expectation of privacy’ te hebben wat betreft de ruimte onder de passagiersstoel en het handschoenenvakje.
Welke theorie in Jones v. United States, 362 U.S. 257 (1960) nog min of meer werd aanvaard.
United States v. Salvucci, 448 U.S. 83 (1980). De in een procedure tot bewijsuitsluiting afgelegde verklaring van de verdachte mag echter niet worden gebruikt in het proces waarin over zijn schuld of onschuld wordt beslist.
Daarbij verdient wel opmerking dat in de zaak Simmons v. United States, 390 U.S. 377 (1968) is uitgemaakt dat een dergelijke verklaring, afgelegd in het kader van ‘pre-trial proceedings’, niet voor het bewijs mag worden gebruikt.
Zie de in zoverre ‘dissenting opinion’ van raadsheer Fortas bij Alderman v. United States, 394 U.S. 165 (1969).
Zie bijv. Alderman v. United States, 394 U.S. 165 (1969). In die zaak wees het Hooggerechtshof er tevens op dat op grond van bestaande wetgeving het onrechtmatig elektronisch observeren, waaronder begrepen afluisteren en telefoontappen, een ernstig misdrijf oplevert. Zie ook Rakas v. Illinois, 439 U.S. 128 (1978), waarin onder meer werd gewezen op de juridische mogelijkheden van de niet-verdachte om schadevergoeding te claimen in verband met een inbreuk op zijn constitutionele rechten.
447 U.S. 727 (1980).
Om bij de rechter te kunnen klagen over een inbreuk op een grondwettelijk recht, geldt in de Verenigde Staten het vereiste van ‘standing’. Alleen degene op wiens grondwettelijke rechten inbreuk is gemaakt en die een persoonlijk belang heeft bij de uitkomst van het door hem aangebrachte geschilpunt heeft standing.1 Het Hooggerechtshof heeft in zijn rechtspraak aan dit vereiste streng de hand gehouden.
Om te kunnen klagen over een inbreuk op het – met art. 8 EVRM redelijk vergelijkbare – Vierde Amendement moet de verdachte een ‘legitimate expectation of privacy’ hebben. Daarvoor is vereist (i) een reasonable expectation of privacy waarop (ii) ten aanzien van de individuele verdachte inbreuk is gemaakt.2 Dit brengt mee dat bijvoorbeeld mededaders niet met succes kunnen klagen over ten laste van hen gebruikt bewijsmateriaal dat is verkregen door middel van een ‘search’ waarbij niet jegens hen zelf inbreuk is gemaakt op het Vierde Amendement.3 Ook indien het bewijsmateriaal is aangetroffen op een plaats ten aanzien waarvan de verdachte geen legitimate expectation of privacy had, kan hij geen beroep doen op schending van het Vierde Amendement.4 Daarbij kunnen zich grensgevallen voordoen.
In de zaak Minnesota v. Carter5overwoog het Hooggerechtshof bijvoorbeeld dat een logé in de woning van een ander wél een ‘reasonable expectation of privacy’ heeft,6 maar een niet-logerende gast niet. In dit verband kunnen ook de beslissingen Mancusi v. DeForte7en Alderman v. United States8 worden genoemd. Die eerste zaak betrof een zoeking in het kantoor van vakbondsmedewerker DeForte. Uit zijn kantoor, dat hij deelde met andere vakbondsmedewerkers, waren bij een zoeking onder zijn protest geschriften in beslag genomen die eigendom waren van de vakbond. Het Hooggerechtshof oordeelde dat DeForte’s kantoor in het licht van de omstandigheden van het geval een plaats was ten aanzien waarvan hem een ‘reasonable expectation of privacy’ toekwam. In de tweede zaak overwoog het Hooggerechtshof dat de verdachte gerechtigd is tot een beroep op uitsluiting van het bewijsmateriaal dat voortspruit uit elektronische observatie die in strijd is met diens aan het Vierde Amendement te ontlenen rechten. Van dat laatste zou sprake zijn indien de overheid onrechtmatig de conversaties zou hebben afgeluisterd waaraan de verdachte heeft deelgenomen of die plaatsvonden in of om de woning of bedrijfspand van de verdachte, ongeacht of de verdachte daarbij aanwezig was.
Bij de beantwoording van de vraag of de verdachte een ‘legitimate expectation of privacy’ had ten aanzien van de plaats waar de ‘search’ heeft plaatsgevonden, komt het steeds aan op een beoordeling aan de hand van de omstandigheden van het geval. Of de verhouding van de verdachte tot de plaats waar de ‘search’ heeft plaatsgevonden zodanig is dat hij anderen de toegang tot die plaats kan ontzeggen speelt daarbij een belangrijke rol evenals de verhouding van de verdachte tot het inbeslaggenomene.9
Ook in het kader van onrechtmatig verkregen bekentenissen geldt de algemene regel dat geen beroep kan worden gedaan op bewijsuitsluiting ten aanzien van bewijsmateriaal dat is verkregen met schending van de rechten van een ander.10 Zij het dat een door een ander afgelegde verklaring vanzelfsprekend onbruikbaar is wanneer deze onder zodanige omstandigheden tot stand is gekomen dat zij onbetrouwbaar moet worden geacht.11 Maar dat staat dan alleen in de weg aan het gebruik van die ene verklaring: Whitebread & Slobogin wijzen erop dat eventueel naar aanleiding van die verklaring verkregen bewijs, mits dit wel betrouwbaar is, kan worden gebruikt.12
Verschillende theorieën die uitbreiding geven aan de groep personen die kunnen klagen over een vormfout, teneinde het bereik van de rechterlijke controle te vergroten, zijn door het Hooggerechtshof afgewezen. Dit geldt voor de zogenaamde ‘target-theorie’, die inhoudt dat degene op wie een ‘search’ of ‘seizure’ is gericht daarover steeds in rechte kan klagen, ongeacht of daarmee in concreto zijn uit het Vierde Amendement voortvloeiende rechten zijn geschonden.13 Ook de theorie van ‘automatic standing’ voor gevallen waarin de verdachte is beschuldigd van het voorhanden hebben van bijvoorbeeld drugs,14 die inhoudt dat de verdachte niet zou hoeven te verklaren dat de drugs van hem zijn om ‘standing’ te hebben, is door het Hooggerechtshof afgewezen.15 Een ‘possessory interest’ is vereist om te kunnen klagen over de onrechtmatige inbeslagneming.16
Met een beroep op het algemeen belang dat de overheid zich dient te onthouden van onredelijke ‘searches’ en ‘seizures’ – vgl. de zorg van Schalken uit het citaat van zo even – is in de literatuur wel bepleit om niet zo streng vast te houden aan het vereiste dat op de persoonlijke rechten van de verdachte inbreuk moet zijn gemaakt,17 maar dat betoog is door het Hooggerechtshof niet gevolgd. Daarvoor wegen de nadelen van een ruimere mogelijkheid om binnen het strafproces op te komen tegen vermeende schendingen van het Vierde Amendement in de visie van het Hooggerechtshof te zwaar, ook vanwege de buiten het strafproces bestaande reactiemogelijkheden: 18 zelfs indien met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren misbruik maken van de ruimte die deze ontbrekende controle door de strafrechter schept. In de zaak United States v. Payner19verklaarde de ‘prosecutor’ dat hij opsporingsambtenaren had geïnstrueerd dat alleen de bankmedewerker wiens koffertje met gegevens door hen werd gestolen, ‘standing’ zou hebben om daarover te klagen, terwijl de bankmedewerker geen doelwit van het opsporingsonderzoek vormde. Het Hooggerechtshof hield eraan vast dat Payner geen ‘standing’ had om de bewijsuitsluitingsregel in te roepen ten aanzien van het bij deze diefstal tegen hem verkregen bewijsmateriaal. Het Hooggerechtshof wees op ‘the established rule’ dat een gerecht geen bewijsuitsluiting mag toepassen wegens schending van het Vierde Amendement, tenzij het vaststelt dat de onrechtmatige ‘search or seizure violated the defendant’s own constitutional rights’.