Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/7.4.0
7.4.0
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS617887:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Corstens & Borgers 2011, p. 730-731 en Keulen & Knigge 2010, p. 530. Zie nader: Heijder 1981; Doorenbos 1990 & Embregts, in: Wetboek van Strafvordering/ IISS Melai- Groenhuijsen e.a., aant. 5.9 bij art. 359a Sv (online, laatst bijgewerkt op 1 oktober 2004).
Commissie Moons 1993, p. 55.
HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376 m.nt. Buruma. Zie eerder HR 21 januari 1997, NJ 1997/309.
Zie nader Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2011/129.
Zie Doorenbos 1990, p. 21-22.
Vgl. Prakken 1999, p. 250.
Schalken 1989, p. 10.
Zie de hierna besproken zaak United States v. Payner, 447 U.S. 727 (1980) en zie nader Kuiper 2010, p. 67.
Zie par. 2.9.
De verdachte kan alleen een beroep doen op schending van een norm als (i) die norm strekt tot bescherming van zijn belangen en (ii) op die belangen ook daadwerkelijk inbreuk is gemaakt. Deze tweeledige regel, die beperkt op welke vormverzuimen bij de zittingsrechter een beroep kan worden gedaan, wordt het Schutznormvereiste of ook wel de relativiteitseis genoemd.1 In abstracto moet de geschonden norm (mede) strekken tot bescherming van de belangen van de verdachte en in concreto moeten zijn belangen zijn geschaad. De Commissie Moons vond in 1993 het Schutznormvereiste onvoldoende uitgekristalliseerd om wettelijk vast te leggen,2 maar inmiddels geldt zij als algemene regel bij de rechtspraak over vormverzuimen. In het standaardarrest uit 2004 over art. 359a Sv is dit vereiste verwoord in de algemene overweging dat
‘indien het niet de verdachte is die door de niet-naleving van het voorschrift is getroffen in een belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen, in de te berechten zaak als regel geen rechtsgevolg zal behoeven te worden verbonden aan het verzuim’.3
Het Schutznormvereiste werd sinds het begin van de vorige eeuw in het civiele recht toegepast, als een begrenzing van de aansprakelijkheid ter zake van onrechtmatige daad. Iemand die een rechtsnorm overtreedt en daardoor onrechtmatig handelt kan worden aangesproken door degene op wiens door die rechtsnorm beschermde belangen hij daardoor inbreuk heeft gemaakt, maar niet door anderen.4
In het strafrecht wordt het Schutznormvereiste toegepast sinds het reageren op vormfouten in het voorbereidend onderzoek eind jaren ‘70, begin jaren ‘80 van de vorige eeuw sterk tot ontwikkeling kwam.5 Het ligt in het verlengde van eerdere in paragraaf 2.2.1 besproken rechtspraak, waarin formele nietigheden werden gerelativeerd wanneer door de vormfout geen redelijk door het desbetreffende voorschrift beschermd belang was geschonden. Bij het Schutznormvereiste wordt echter op een restrictieve wijze beoordeeld of een belang van de verdachte is geschaad.
Bezien vanuit het waarborgen van de belangen van de verdachte (bij een eerlijk proces en anderszins) als doeleinde van het controleren en reageren op vormfouten, is het Schutznormvereiste een volstrekt logische regel. Zijn de belangen van de verdachte niet in het geding, dan is er uit dat oogpunt ook geen reden voor een reactie op een vormfout. Aan de mogelijkheid het doeleinde na te streven van bevordering van normconform optreden van politie en OM, stelt het Schutznormvereiste echter fikse beperkingen.6 Een groot deel van het handelen van politie en OM wordt door deze regel immers buiten de controle van de rechter geplaatst. In 1989 achtte Schalken het dan ook niet vanzelfsprekend dat het belang-criterium in algemene zin op vormfouten in het vooronderzoek kan worden toegepast. De regels die deze fase normeren strekken immers niet alleen ter bescherming van de belangen van de verdachte, maar van iedereen:
‘daarom blijft het kwestieus of het belang van de verdachte cruciaal is bij het inzetten van undercover-agents, het afluisteren van de telefoon of het inbeslagnemen van bewijsmateriaal. Zodra de verdachte met behulp van deze methoden is gevonden, zorgt het compartimentale karakter van het strafrecht ervoor dat het overheidsoptreden dat geen verdachte heeft opgeleverd, wordt geëcarteerd bij de beoordeling van de rechtmatigheid van dat optreden. Veel onrechtmatigheid kan dan zonder sancties blijven. Daarmee komt de machtnormerende functie van het strafrecht onder zware druk te staan’.7
De regel zou de controle van de rechterlijke op de uitvoerende macht te zeer kunnen beperken. Dat is het belangrijkste argument tegen (ruime toepassing van) het Schutznormvereiste. In gevallen waarin bijvoorbeeld bewijs is verkregen door onrechtmatige toepassing van dwangmiddelen zoals doorzoeking, fouillering of telefoontap, kan de verdachte geen beroep doen op de daardoor op de rechten van een ander gemaakte inbreuk. De regel maakt daarmee mogelijk dat politie en OM ‘profiteren’ van onrechtmatig verkregen bewijs. Dat schept de mogelijkheid tot misbruik. De Amerikaanse rechtspraak biedt daarvan enkele onrustbarende voorbeelden, waarin doelbewust op rechten van derden inbreuk werd gemaakt om bewijs te vergaren tegen de verdachte die toch geen ‘standing’ zou hebben om over de onrechtmatigheid van deze bewijsgaring te klagen.8 In dergelijke gevallen kan onverkorte toepassing van het Schutznormvereiste knellen.
Belangrijkste voordeel van toepassing van het Schutznormvereiste is dat het strafproces tegen de verdachte niet te ver uitdijt tot aspecten die voor de beoordeling van het aan hem gemaakte verwijt niet direct relevant zijn. Een doelmatige inzet van de beperkte capaciteit van de professioneel bij het strafproces betrokken personen vergt begrenzing van de door de rechter op het voorbereidend onderzoek uitgeoefende controle. Ook zou zonder het Schutznormvereiste een effectieve opsporing en vervolging kunnen worden gefrustreerd, omdat dan een eenmaal begane onrechtmatigheid in een onbegrensd aantal zaken gevolgen zou kunnen hebben. De rechter – voor de hoofdlijnen de Hoge Raad en in concrete zaken de feitenrechter – moet mijns inziens dus een afweging maken tussen de voor- en nadelen van toepassing van het Schutznormvereiste. Aan de toepassing en precieze invulling van het Schutznormvereiste liggen rechtspolitieke keuzes ten grondslag;9 hoe strikter het wordt toegepast, hoe beperkter de controle door de zittingsrechter op het voorbereidend onderzoek.
Hier wordt eerst kort stilgestaan bij het al genoemde vereiste van ‘standing’ in de Amerikaanse rechtspraak en bij de rechtspraak van het EHRM op dit gebied. Daarna wordt nader ingegaan op de Nederlandse rechtspraak.