Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/X.3.3
X.3.3 Vernietiging buiten de jaarrekeningprocedure
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178800:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Aanpassing BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 168 (MvT Inv).
Zo ook Timmerman 1991, p. 168, Assink/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/314 en Van Schilfgaarde/Schoonbrood, Winter & Wezeman 2017/96.4. Zie genuanceerder Handboek 2013/224.1.
Vgl. Asser/Maeijer & Kroeze (Beckman) 2-I* 2015/508-509.
Vgl. OK 24 juni 2004, JOR 2004/272, m.nt. Van der Zanden (Participatiemaatschappij Oost Nederland), rov. 3.5.
Parl. Gesch. Aanpassing BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 168 (MvT Inv). Zo ook Timmerman 1991, p. 168 en Van Schilfgaarde/Schoonbrood, Winter & Wezeman 2017/96.4. Anders: Handboek 2013/224.1 en Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/ 314.
Zie Rb. Rotterdam 18 oktober 2017, JOR 2018/4, m.nt. Van Vught (Bloem Doze Nienhuis), rov. 4.5.
Vgl. hierover § VI.7.1.
Een besluit is vernietigbaar als het in strijd is met totstandkomingsvoorschriften, de redelijkheid en billijkheid of een reglement. Deze in art. 2:15 BW geregelde voorziening geldt, aldus het eerste lid, ‘onverminderd het elders in de wet omtrent de mogelijkheid van een vernietiging bepaalde’. Deze frase lijkt tekstueel (‘de mogelijkheid van’) betrekking te hebben op de verhouding tussen art. 2:15 BW en procedures tot vernietiging daarbuiten. Niettemin bedoelt zij vooral andere gronden van vernietiging onverlet te laten, zo volgt uit de verwijzingen in de toelichting naar de wilsgebreken, de Pauliana en – meer specifiek – een besluit tot statutenwijziging van een stichting dat tot ontbinding leidt (art. 2:295 BW).1 Al deze vernietigingsgronden gelden onverminderd naast die van art. 2:15 BW.2
Zo is het ook voor het jaarrekeningbesluit. De gronden van art. 2:15 lid 1 BW cumuleren met de gronden die tot vernietiging ex art. 2:451 lid 4 BW leiden. Zoveel is duidelijk. De vraag is meer of een schending van de jaarrekeningvoorschriften binnen één van de categorieën van art. 2:15 BW past – het antwoord daarop moet ongetwijfeld ontkennend luiden. De inrichtingseisen van de jaarrekeningtitel en de IFRS zijn een kwestie van presentatie en rubricering; ze zijn gericht op het getrouw weergeven van de juridische en feitelijke werkelijkheid in financiële zin.3 Om totstandkomingsvoorschriften (art. 2:15 lid 1 onder a BW) gaat het niet. Evenmin houdt een schending van de inrichtingseisen in dat het jaarrekeningbesluit met de redelijkheid en billijkheid (art. 2:15 lid 1 BW) in strijd is. De gronden van art. 2:15 BW en van de jaarrekeningtitel overlappen derhalve niet.
Toch is de grens tussen art. 2:15 BW en de jaarrekeningtitel ietwat diffuus. Klaagt een aandeelhouder over de post voorzieningen, dan is beslissend waarop hij zijn klacht grondt. De klacht kan behelzen dat de voorziening niet voldoet aan de in art. 2:374 BW gegeven norm, nu zich op de balansdatum geen risico’s voordoen die het nemen van een voorziening rechtvaardigen.4 Dit is een schending van een jaarrekeningvoorschrift, hetgeen kan leiden tot vernietiging in het kader van de jaarrekeningprocedure. Luidt de klacht daarentegen dat een genomen voorziening onredelijk is jegens de minderheidsaandeelhouder, omdat de omvang daarvan buitensporig is en kennelijk is bedoeld het dividend te verlagen, dan ligt dit wellicht anders. In zo’n geval komt vernietiging ex art. 2:15 lid 1 sub b BW in beeld.
Hoe dan ook: waar een belanghebbende klaagt over de omvang van een jaarrekeningpost of over een zaak die overigens buiten het in de jaarrekeningprocedure te toetsen terrein valt (zie § 3.1), is vernietiging op de voet van de redelijkheid en billijkheid (art. 2:15 lid 1 onder b BW) mogelijk. Het gaat dan om een jaarrekeningbesluit dat jegens de betrokkene onredelijk is. Meer precies is de vaststelling van een of meerdere posten in de jaarrekening onrechtmatig jegens een aandeelhouder, zodat het jaarrekeningbesluit in zoverre voor vernietiging vatbaar is. Voorts kan het gaan om een jaarrekening die (deels) een aandeelhouder in paulianeuze zin benadeelt, dat wil zeggen hem diens dividendvordering ontneemt. Ook dat betreft een grond (art. 3:45 BW) die tot vernietiging van het jaarrekeningbesluit noopt. In beide gevallen is vernietiging van het jaarrekeningbesluit een denkbare en begaanbare weg, waarop blijkens de parlementaire geschiedenis de regels van art. 2:15 en 2:16 BW (overeenkomstig) toepasselijk zijn.5 Welke gevolgen een geslaagde vordering in dergelijke gevallen moet hebben en hoeveel de klagende aandeelhouder ermee opschiet, is een andere, in paragraaf 5 te behandelen kwestie.
Iets anders is dat de rechtbank in het kader van art. 2:15 BW – evenmin als de Ondernemingskamer in de jaarrekeningprocedure (§ 3.1) – niet tot taak heeft te kijken naar de werkelijkheid achter het jaarrekeningbesluit. Onjuistheid van de gegevens die in de jaarrekening zijn verwerkt, leidt dus niet tot vernietiging van het jaarrekeningbesluit wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid. Zo moet een discussie over de wijze waarop een variabele beloning wordt berekend (de rekenmethode), in een civiele procedure worden gevoerd, zeker als de afspraken daarover afhangen van de uitleg van overeenkomsten en besluiten.6 Bij een vordering tot vernietiging heeft de eiser geen procesbelang (art. 3:303 BW):7 de vermelding in de jaarrekening zegt niets over de status van vermogensrechtelijke aanspraken. Pas als het gaat om de juistheid van de cijfers in de jaarrekening zelf – de omzetcijfers aan de hand waarvan de variabele beloning wordt berekend, deugen niet – komt vernietiging van het jaarrekeningbesluit in beeld.