Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/4.3.1
4.3.1 Inleiding
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715421:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Rutgers 1992, p. 295. Keijzer vindt het bijvoorbeeld, gelet op de historische omstandigheden en in het belang van de bescherming van de stabiliteit van de samenleving en het behoorlijk functioneren van staatsorganen, te billijken dat de Franse wetgever in 1810 allerlei vormen van samenspanning tegen het staatshoofd strafbaar stelde, zonder dat daarvoor uitvoeringshandelingen hoeven te zijn verricht (Keijzer 1982, p. 39).
Spronken 2014, p. 1480. Klip spreekt zelfs van ‘beginselloosheid’ (Klip 2010, p 591).
In eigen land was de dreiging van het communisme bijvoorbeeld aanleiding om in 1903 samenspanning tot spoorwegstaking strafbaar te stellen in artikel 385ter (oud) Sr (Kamerstukken II 1902/03, 125, nr. 3, p. 1-2) en om in 1919 de vuurwapenwetgeving aan te scherpen (Kamerstukken II 1918/19, 410, nr. 3, p. 3). Ook worden in 1923 onder meer voorbereiding van het omverwerpen van de overheid met behulp van buitenlandse contacten (artikel 97a Sr), voorbereiding van staatsgevaarlijke misdrijven (artikel 96 lid 2 Sr) en opruiing (artikel 131 Sr) strafbaar gesteld en wordt het aanslagbegrip (artikel 79 Sr) zodanig aangepast dat vrijwillige terugtred onmogelijk werd (Kamerstukken II 1919/20, 428, nr. 3, p. 1-2). In 1923 wordt tot slot poging tot uitlokking strafbaar gesteld, destijds in artikel 134bis (oud) Sr, tegenwoordig artikel 46a Sr (Kamerstukken II 1923/24, 189, nr. 3, p. 1-2). De aanloop naar de Tweede Wereldoorlog is vervolgens aanleiding voor de invoering van het uniformverbod (artikel 435a Sr) en een aanzet om voorbereiding van openbaring van staatsgeheimen (artikel 98 lid 2 (oud) Sr) en voorbereiding van hulpverlening aan de vijand (artikel 102 Sr) strafbaar te stellen. Na de Tweede Wereldoorlog wordt de strafbaarstelling van in contact treden met de vijand (artikel 97 Sr) opgerekt (Kamerstukken II 1950/51, 2258, nr. 3, p. 13-14; Prakken & Roef 2004, p. 214). De algemene strafbaarstelling van voorbereiding (artikel 46 Sr) was een gevolg van de geruchtmakende ontvoering van Ahold-topman Gerrit Jan Heijn (Kamerstukken II 1990/91, 22268, nr. 3, p. 3) en ook de aanslagen van 11 september 2001 leiden tot behoorlijk wat strafbaarstellingen. Zo wordt de strafbaarstelling van voorbereiding tweemaal opgerekt (Kamerstukken II 2001/02, 28031, nr. 5, p. 4; Kamerstukken II 2004/05, 30164, nr. 3, p. 49). Dat gebeurt ook bij de strafbaarstelling van werving voor de gewapende strijd (artikel 205 Sr) en daarnaast worden deelname aan een terroristische organisatie (artikel 140a Sr) en samenspanning tot terroristische misdrijven (artikel 114b, 120b, 176b, 282c, 289c, 304b en 415b Sr) strafbaar gesteld. In 2009 volgt deelnemen of meewerken aan training voor terrorisme (artikel 134a Sr) en in 2013 financiering van terrorisme (artikel 421 Sr). Overigens zijn er ook uitzonderingen op die hoofdregel. Rutgers, Prakken en Roef wijzen op het opvallende achterwege blijven van een dergelijke reactie op de aanslagen door de Revolutionaire Anti-Racistische Actie (RaRa) in de jaren ‘80 van de vorige eeuw, wellicht omdat het strafbaar stellen van voorbereidingshandelingen in de Opiumwet op dat moment meer prioriteit had (Prakken & Roef 2004, p. 215 en voetnoot 11, Rutgers 1992, p. 29-30).
Mols 2016, p. 9.
Smith 2011, p. 833.
Mols & Wöretshofer 1993, p. 65.
Mols & De Roos 1992, p. 223. Vgl. Prakken & Roef 2004, p. 223.
Smith 2011, p. 832; Plaisier 2003, p. 471-472; Buruma 2003, p. 86; Buruma 2002, p. 1502.
Zie bijvoorbeeld: Mols & De Roos 1992, p. 221. Daar staat tegenover dat, zoals ook Keulen opmerkt, individuele voorbereiding niet minder strafwaardig lijkt dan gezamenlijke voorbereiding (Keulen 2009a, p. 51).
In het Samir A.-arrest waren diens terroristische intenties – die ik toch wel als “diepste overtuiging of ander zieleroerselen” (Strijards 1995, p. 41) zou willen betitelen – bijvoorbeeld bepalend bij het geven van invulling aan de voorbereiding.
Waar de liberaal, zoals hiervoor bleek, de rechtvaardiging van de noodzaak van de invoering van een strafbepaling puur zoekt in de ernst van het strafbaar gestelde feit, kan vanuit communitaristisch oogpunt de strafbaarstelling niet los worden gezien van de maatschappelijke omstandigheden ten tijde van de invoering van het delict. De communitarist constateert dat de samenleving en de politiek in crisistijd sneller akkoord lijken te gaan met bepaalde strafbaarstellingen dan in kalme tijden.1 In de woorden van Spronken wordt de ‘beginselvastheid’ dan al snel losgelaten.2 De geschiedenis leert inderdaad dat voorfasedelicten vaak worden ingevoerd (en voorgesteld) in reactie op bepaalde crises.3 Steeds wekt een bepaalde actualiteit een plotselinge behoefte aan sneller, eerder en daadkrachtiger ingrijpen op, die uitwerking krijgt in een uitbreiding van strafbaarheid in de voorfase.4 Dergelijke uitbreidingen van strafbaarheid in de voorfase lijken op hun beurt ook weer de weg vrij te maken voor nieuwe uitbreidingen.5 Wat dat betreft lijkt het soms een kwestie van tijd voordat bepaalde beperkingen van strafbaarheid in de voorfase worden opgeheven. Mols en Wöretshofer voorspelden bijvoorbeeld in 1993 al dat het slechts een kwestie van wachten zou zijn op een politiek gunstig moment om ook de solistische voorbereiding strafbaar te stellen.6 Ook de beperking tot misdrijven waar acht jaar of meer op staat zou volgens Mols en De Roos geen lang leven beschoren zijn.7 Bovendien verstomt met de tijd de kritiek op in het verleden overschreden grenzen. Zoveel aandacht als de invoering van de strafbaarstelling van voorbereiding kreeg, zo geruisloos werden het kennelijkheidsvereiste en het verenigingsvereiste geschrapt.8 Dat is vooral opmerkelijk omdat de beperkende werking die van beide vereisten uitging voor veel auteurs een belangrijke waarborg vormde.9 De rode lijnen waar Strijards op wees zijn inmiddels allemaal overschreden.10
4.3.1.1 De democratische legitimatie van het strafrecht4.3.1.2 Het publiekrechtelijke karakter van het strafrecht4.3.1.3 De symbolische functie van het strafrecht