Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/8.4.2.4
8.4.2.4 Complicaties bij het meten van de koersinvloed van de litigieuze informatie door middel van een event study
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655710:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Ik ga hier niet (meer) afzonderlijk in op de complicatie die zich voordoet bij prospectusaansprakelijkheid in het kader van een beursgang en die erop neerkomt dat – vanwege de afwezigheid van marktefficiëntie in de primaire markt en de directe after market – de residuele koersdaling die wordt gemeten op het moment waarop de misleiding bekend wordt, geen representatieve maatstaf hoeft te zijn voor het bedrag waarmee de misleidende informatie de uitgifteprijs, de introductiekoers en/of de koers die daarna tot stand kwam in de directe after market (kunstmatig) omhoog heeft gedreven. Zie over deze complicatie reeds § 5.3.8.
De complicaties die kunnen spelen bij een (fundamenteel of informationeel) inefficiënte markt behandel ik hier niet, want die worden in § 8.5 afzonderlijk besproken.
Zie over deze complicatie onder meer Fisch, Gelbach & Klick 2018, p. 614-617; Dove, Heath & Heaton 2019; Brav & Heaton 2015, p. 605-606; Dolgoff & Duarte-Silva 2014; Heys 2011, p. 7; Bruegger & Dunbar 2009, p. 25; Ferrell & Saha 2007, p. 168; Tabak 2007a, p. 12-13; Krivin e. a. 2003, p. 7-8; Tabak & Dunbar 1999, p. 7, voetnoot 16 en p. 11; Koslow 1991, p. 825; De Jong 2010, p. 244. Zie hierover onder meer ook de uitspraken Bricklayers and Trowel Trades Int’l Pension Fund v. Credit Suisse Securities (USA) LLC, 752 F.3d 82, 95-96 (1st Cir. 2014); In re Petrobras Securities Litigation, 862 F.3d 250, 278-279 (2d Cir. 2017); In re Vivendi, S.A. Securities Litigation, 838 F.3d 223, 254 (2d Cir. 2016); Glickenhaus & Co. v. Household International, Inc., 787 F.3d 408, 419-423 (7th Cir. 2015); Liberty Media Corp. v. Vivendi Universal S.A., 923 F.Supp.2d 511, 518-520 (S.D.N.Y. 2013).
Aldus Ferrell & Saha 2007, p. 168. Aldus ook De Jong 2010, p. 244. Zie in dit verband ook de uitspraak In re Security Cap. Assur., Ltd. Securities Litigation, 729 F. Supp. 2d 569, 600 & n.5 (S.D.N.Y. 2010).
Zie in dit verband Ferrell & Saha 2007, p. 168. Zie ook Krivin e.a. 2003, p. 7-8.
Zie over deze oplossing uitgebreid Rinaudo & Saha 2014. Zie hierover ook Fisch, Gelbach & Klick 2018, p. 615-616; Kumar & Voetmann 2015; Dolgoff & Duarte-Silva 2014; Ferrell & Saha 2007, p. 168; Tabak & Dunbar 1999, p. 7, voetnoot 16; Koslow 1991, p. 825. Zie ook de uitspraken Bricklayers and Trowel Trades Int’l Pension Fund v. Credit Suisse Securities (USA) LLC, 752 F.3d 82, 95-96 (1st Cir. 2014); In re Novatel Wireless Securities Litigation, 910 F. Supp. 2d 1209, 1218-1221 (S.D. Ca. 2012); In re Finisar Corporation Securities Litigation, 2017 WL 6026244, at *6-7 (N.D. Cal. Dec. 5, 2017). En zie over het gebruik maken van intraday trading data ook het in het kader van het WCAM-verzoek met betrekking tot de Fortis-schikking (in opdracht van Ageas) opgestelde deskundigenrapport van de Analysis Group (Deskundigenrapport Fortis-schikking 2016, § 37-§ 51).
Vgl. Tabak & Dunbar 1999, p. 7, voetnoot 16.
Zie voor andere complicaties waarmee men wordt geconfronteerd wanneer gebruik wordt gemaakt van intraday trading data Dolgoff & Duarte-Silva 2014, p. 3-4.
Zie over deze oplossing uitgebreid Tabak 2015, p. 478-480; Tabak 2007a, p. 12-13. Zie hierover ook Fisch, Gelbach & Klick 2018, p. 616-617; Morgan, McElroy & Duarte-Silva 2014, p. 2; Heys 2011, p. 7; Bruegger & Dunbar 2009, p. 25; Dunbar & Sen 2009, p. 242. Zie in dit verband ook de benadering van de door de eisende beleggers geraadpleegde deskundige in de zaak In re Vivendi, S.A. Securities Litigation, 838 F.3d 223, 254 (2d Cir. 2016).
In bepaalde gevallen kan het aangewezen zijn om ook persberichten en analistenrapporten die reeds vóór het begin van de event period over de onderzochte beursvennootschap zijn verschenen, in de analyse te betrekken.
Als dat mogelijk is (in de zin van hanteerbaar en uitvoerbaar), is het uiteraard verstandig om ook berichten die in de social media over de onderzochte beursvennootschap zijn verschenen, in de analyse te betrekken. Zie over het effect van berichten die in de social media over een bepaald aandeel zijn verschenen op de koers van het desbetreffende aandeel onder meer de empirische studie van Chen e.a. 2014. Zie in dit verband ook Brooks & Hu 2013, p. 3.
De impliciete aanname die hier ook nog wordt gedaan, is dat de mate van relevantie van bepaalde informatie een maatstaf is voor de grootte van de koersreactie die de publicatie van deze informatie teweegbrengt.
Zie voor mogelijke complicaties die zich kunnen voordoen bij de hier beschreven toepassing van content analysis, wanneer de markt waarop de litigieuze effecten worden verhandeld niet (volledig) efficiënt is Tabak 2015, p. 476.
Bij het meten van de frequenties waarmee over de verschillende events wordt gerapporteerd, zal een keuze moeten worden gemaakt voor de wijze waarop wordt geteld. Men kan ervoor kiezen om alleen te kijken naar de kop en/of de titel van de te onderzoeken berichten, men kan ervoor kiezen om alleen te kijken naar de hoofdtekst van de te onderzoeken berichten, maar men kan er uiteraard ook voor kiezen om naar beide te kijken.
Vgl. in dit verband de uitspraak In re Scientific-Atlanta, Inc. Securities Litigation, 754 F. Supp. 2d 1339, 1378-1380 (N.D. Ga. 2010).
Vgl. Tabak 2007a, p. 13.
In de uitspraak Bricklayers and Trowel Trades Int’l Pension Fund v. Credit Suisse First Boston, 853 F. Supp. 2d 181, 195 (D. Mass. 2012) lijkt deze oplossing om die reden te worden verworpen.
Van content analysis kan ook gebruik worden gemaakt om te bepalen dan een bepaalde litigieuze mededeling of omissie al dan niet material was. Heeft de vennootschap bijvoorbeeld in een bepaalde mededeling (beweerdelijk ten onrechte) bepaalde informatie achtergehouden, dan kan aan de hand van content analysis worden beoordeeld of het wel publiceren van deze informatie (voor het beleggende publiek) enig verschil zou hebben gemaakt, en of dat enige invloed op de koers zou hebben gehad. Wat men dan in concreto doet, is alle relevante berichten in de (sociale) media en alle analistenrapporten die rondom het tijdstip van publicatie van de litigieuze mededeling over de onderzochte beursvennootschap zijn verschenen systematisch analyseren, om vervolgens te kunnen beoordelen of, en zo ja, in welke mate, de markt aan (het onderwerp van) de litigieuze informatie op dat moment enig belang hechtte. Zie in dit verband onder meer de uitspraak United States v. Schiff, 602 F.3d 152, 172 & n.26 (3d Cir. 2010).
Zie in dit verband ook Fisch, Gelbach & Klick 2018, p. 616-617; Tabak & Dunbar 1999, p. 11.
Wanneer de publicatie van de corrigerende mededeling wordt gecombineerd met de publicatie van andersoortige informatie dan financiële resultaten, moet een andersoortige response coefficient dan een earnings response coefficient worden gebruikt om het koerseffect van de confounding event van het totale koerseffect te kunnen isoleren. Vgl. Ferrell & Saha 2012, p. 381; Bruegger & Dunbar 2009, p. 37-38.
Zie over (het werken met) earnings response coefficients uitgebreid Bruegger & Dunbar 2009, p. 31-66 en Ferrell & Saha 2012, p. 378-381.
Het schatten van de genoemde relatie wordt in de praktijk meestal gedaan aan de hand van statistische regressieanalyse.
Met ‘residuele koersreactie’ wordt hier bedoeld de koersreactie gecorrigeerd voor (het koerseffect veroorzaakt door) markt- en/of sectorspecifieke factoren.
In de praktijk komt het nogal eens voor dat de corrigerende mededeling bewust wordt gecombineerd met de publicatie van andere bedrijfsspecifieke informatie met het doel om het koerseffect van de (bekendwording van de) misleidende informatie te maskeren. Zie voor empirisch bewijs dat Amerikaanse vennootschappen bij het publiceren van een corrigerende mededeling zich niet zelden van een dergelijke ‘information bundling’-strategie bedienen Furchtgott & Partnoy 2015. Zie in dit verband ook de studie Bliss, Partnoy & Furchtgott 2018 en Fisch, Gelbach & Klick 2018, p. 617.
Zie over deze complicatie onder meer Ferrell & Roper 2015, p. 576-577; Brav & Heaton 2015, p. 605-606; Heys 2011, p. 7; Bruegger & Dunbar 2009, p. 25; Dunbar & Sen 2009, p. 242; Tabak 2007a, p. 12-13; De Jong 2010, p. 245-246. En zie hierover ook de uitspraak In re REMEC Inc. Securities Litigation, 702 F. Supp. 2d 1202, 1273-1274 (S.D. Cal. 2010).
Wanneer de publicatie van de corrigerende mededeling wordt gecombineerd met de publicatie van andersoortige informatie dan financiële resultaten, moet een andersoortige response coefficient dan een earnings response coefficient worden gebruikt om het koerseffect van de confounding event van het totale koerseffect te kunnen isoleren. Vgl. Ferrell & Saha 2012, p. 381; Bruegger & Dunbar 2009, p. 37-38.
Zie over deze complicatie onder meer Couture 2016, p. 256; Gross 2015, p. 498-501; Ferrell & Saha 2012, p. 377-378; Ferrell & Saha 2009, p. 105-106; Ferrell & Saha 2007, p. 181-185; ILG 2010, p. 494-504; Dunbar & Sen 2009, p. 238-239; Black 2009, p. 169-182; Cornell & Rutten 2009, p. 3-12; Alexander 1994, p. 1435-1440; De Jong 2010, p. 191-192 en p. 245.
Zie in dit verband § 7.5.
Zie in dit verband § 7.6. Zie in dit verband ook de uitspraak In re Sadia, S.A. Securities Litigation, 269 F.R.D. 298, 312 en 318-321 (S.D.N. Y. 2010).
Zie in dit verband § 7.5-§ 7.6.
Zie in dit verband § 7.7.
Staat het vaststellen van de koersinvloed van de misleidende informatie in de sleutel van de schadevaststelling, dan spreekt men in dit verband van ‘forward casting’. In § 8.4.4 kom ik uitgebreid over forward casting te spreken.
Zie over dit probleem uitgebreid Couture 2016; Ferrell & Roper 2015, p. 571-575; Torchio 2009. Zie in dit verband ook Fisch, Gelbach & Klick 2018, p. 564-565; Langevoort 2015, p. 44-45.
Wanneer de misleiding een andere vorm aanneemt dan het publiceren van misleidende winstcijfers, moet een andersoortige response coefficient dan een earnings response coefficient worden gebruikt om de koersinflatie te kunnen schatten. Vgl. Ferrell & Saha 2012, p. 381; Bruegger & Dunbar 2009, p. 37-38.
Staat het vaststellen van de koersinvloed van de misleidende informatie in de sleutel van de schadevaststelling, dan gaat het hier wederom om een vorm van forward casting. Zie over forward casting uitgebreid § 8.4.4.
Zie over de methodologie van forward casting met gebruikmaking van earnings response coefficients Bruegger & Dunbar 2009, p. 31-45; Ferrell & Saha 2012, p. 378-381.
Zie over deze twee scenario’s reeds § 7.2.1.
Zie in dit verband ook het zesde scenario in hoofdstuk 4.
Zie voor dit scenario bijvoorbeeld de uitspraak In re Vivendi, S.A. Securities Litigation, 838 F.3d 223, 255-256 (2d Cir. 2016).
Zie ook reeds § 7.2.1.
Zie in dit verband ook de volgende (mijns inziens treffende) overweging uit de Amerikaanse uitspraak Pommer v. Medtest Corp., 961 F2d 620, 623 (7th Cir. 1992): ‘The securities laws approach matters from an ex ante perspective: just as a statement true when made does not become fraudulent because things unexpectedly go wrong, so a statement materially false when made does not become acceptable because it happens to come true. Good fortune (…) does not make the falsehood any the less material.’
Hierbij laat ik gemakshalve even buiten beschouwing de mogelijkheid dat als gevolg van de corrigerende mededeling toch een koersreactie intreedt, bijvoorbeeld omdat de markt vanwege (het bekend worden van) de misleiding minder vertrouwen heeft in het management van de vennootschap of omdat de markt er rekening mee houdt dat (het bekend worden van) de misleiding tot gevolg zal hebben dat belangrijke bestuurders het veld zullen moeten ruimen. Zie in dit verband § 7.6 en § 7.7.2.
De correcte hypothetische situatie waarmee in dit geval de feitelijke situatie moet worden vergeleken, is mijns inziens de situatie dat een persbericht zou zijn gepubliceerd waarin de kans op het doorgaan van de order realistisch zou zijn voorgesteld. Ik acht het onjuist om in dit geval de feitelijke situatie te vergelijken met de hypothetische situatie waarin de onderhandelingen volledig zouden zijn stil gehouden.
Zie ook reeds § 7.2.1.
Vgl. in verband met dit probleem Cornell & Morgan 1990, p. 894-897, Booth 2015, p. 38-40 en het uitstekende blog van Ann Lipton op de Business Law Prof Blog van zaterdag 8 maart 2014, te raadplegen via http://lawprofessors.typepad.com/business_law/2014/03/halliburton-ii-electric-boogaloo.html. Zie in dit verband ook de uitspraken Ludlow v. BP, P.L.C, 800 F.3d 674, 689-692 (5th Cir. 2015); Hubbard v. Bankatlantic Bancorp, Inc., 688 F.3d 713, 728 & n. 27 (11th Cir. 2012) en In re Vivendi Universal, S.A. Securities Litigation, 634 F. Supp. 2d 352, 371 (S.D.N.Y. 2009) onder verwijzing naar Restatement (Second) of Torts, § 549 (‘Measure of Damages for Fraudelent Misrepresentation’) en het bekende handboek Prosser & Keeton 194, § 110, at 767.
Mijn opmerking van zojuist over de hypothetische situatie waarmee de feitelijke situatie moet worden vergeleken is hier van overeenkomstige toepassing.
Een bijzonder geval in dit verband is de situatie waarin op een zeker moment bepaalde informatie wordt achtergehouden die op dat moment nog niet zodanig concreet en/of relevant is dat deze reeds als material kan worden aangemerkt, maar welke (onder invloed van externe ontwikkelingen) na verloop van tijd zodanig wijzigt dat deze op een bepaald moment wel material wordt. Wanneer tot het moment van de corrigerende mededeling de litigieuze informatie volledig wordt doodgezwegen en deze verder ook niet uitlekt, is er naar Amerikaans recht in deze situatie in beginsel geen sprake van een normschending, en hebben de beleggers derhalve in beginsel ook geen rechtens relevante schade geleden. Zie over deze situatie Heys 2011, p. 8-9.
De stelling dat wanneer op het moment van de corrigerende mededeling een significante koersreactie wordt gemeten, men bij een toenemende koersinflatie zeker weet dat de beleggers die tijdens het tijdvak van de misleiding een of meer aandelen hebben gekocht, als gevolg van de misleiding schade hebben geleden, moet worden genuanceerd voor de situatie waarin de toenemende koersinflatie is te wijten aan het feit dat de misleiding bestond uit verschillende opeenvolgende misleidende mededelingen en/of omissies. In deze situatie is namelijk (althans in theorie) niet uitgesloten dat alleen de meest recente misleidende mededelingen de beurskoers hebben beïnvloed, en dat de misleidende mededelingen die eerder in het tijdvak van de misleiding zijn gedaan, in het geheel niet tot koersinflatie hebben geleid. Hieronder sub f kom ik nader over deze situatie te spreken.
Voor het Amerikaanse recht volgt dit uit de uitspraak Dura Pharmaceuticals Inc. v. Broudo, 544 U.S. 336 (2005). Zie hierover uitgebeid § 6.3.3. In § 7.2.3 heb ik verdedigd dat ook voor het Nederlandse recht zou moeten gelden dat in het scenario waarin de inhoud van de misleidende informatie over het tijdvak van de misleiding zodanig wijzigt dat de informatie gaandeweg minder misleidend wordt, de rechtens toerekenbare schade wordt beperkt tot het bedrag van de (resteren de) koersinflatie op het moment van de bekendwording van de misleiding.
Zie over dit probleem ook Feitzinger & Rozen 2014, p. 2; Dolgoff 2014, p. 2.
Voor voorbeelden van deze scenario’s verwijs ik naar § 5.5.2.3, alwaar deze problematiek uitgebreid aan de orde is gekomen.
Voor een aansprekend voorbeeld uit de rechtspraak waarin onder invloed van externe factoren de marktwaarde van de misleidende informatie – en daarmee de koersinflatie – over het tijdvak van de misleiding toeneemt, wijs ik op de uitspraak In re California Micro Devices Securities Litigation, 965 F. Supp. 1327, 1333 (N.D. Cal. 1997).
Een bijzonder geval in dit verband is wederom de situatie waarin op een zeker moment bepaalde informatie wordt achtergehouden die op dat moment nog niet zodanig concreet en/of relevant is dat deze reeds als material kan worden aangemerkt, maar welke onder invloed van externe factoren na verloop van tijd wel material wordt. Zie in dit verband Heys 2011, p. 8-9.
Hierna zal ik niet steeds zeggen ‘misleidende mededelingen en/of omissies’, en zal ik simpelweg refereren aan ‘misleidende mededelingen’.
Zie over dit probleem onder meer Bruegger & Dunbar 2009, p. 26-29; Ferrell & Saha 2012, p. 371-373 en p. 375-378; Ferrell & Saha 2007, p. 179; Gold, Korman & Nabi 2017, p. 14-15; De Jong 2010, p. 250.
Ik benadruk dat wanneer de misleiding bestaat uit verschillende opeenvolgende misleidende mededelingen het in het algemeen zo zal zijn dat de koersinflatie op het moment van de bekendwording van de misleiding groter is dan de koersinflatie die aanwezig was eerder in het tijdvak van de misleiding, maar dat dit niet altijd zo hoeft te zijn. Doet zich namelijk de situatie voor waarin de opeenvolgende litigieuze mededelingen gaandeweg minder misleidend worden, waardoor het (totale) misleidende beeld per (nieuwe) misleidende mededeling minder wordt, dan zal de koersinflatie stapsgewijs afnemen (vgl. voor deze situatie Tabak 2012a, p. 2). Bij dit laatste veronderstel ik – ceteris paribus – dat er verder geen andere (externe) factoren zijn die op de koersinflatie inwerken, als gevolg waarvan deze over het tijdvak van de misleiding fluctueert.
Zie in dit verband ook de uitspraak In re Vivendi Universal, S.A. Securities Litigation, 765 F. Supp. 2d 512, 561-563 (S.D.N.Y. 2011) (deze uitspraak is bevestigd door de Second Circuit, zie 838 F.3d 223 (2d Cir. 2016)).
Hierbij veronderstel ik wederom – ceteris paribus – dat er verder geen andere (externe) factoren zijn die (substantieel) op de koersinflatie inwerken, als gevolg waarvan deze hevig fluctueert.
Vgl. Ferrell & Saha 2012, p. 372-373.
Dat in de situatie waarin het tijdvak van de misleiding een relatief lange periode beslaat en waarin de opeenvolgende litigieuze mededelingen wat de mate waarin zij misleidend zijn betreft niet al te veel van elkaar verschillen, aannemelijk is dat na verloop van tijd sprake zal zijn van een zekere stabilisatie van de koersinflatie, wordt mijns inziens veronachtzaamd door Gold, Korman & Nabi. Zie Gold, Korman & Nabi 2017, p. 14-15.
Hoewel de event study een in de praktijk veel gebruikt instrument is om de koersinvloed van de litigieuze informatie te bepalen, kunnen zich bij de uitvoering en interpretatie van de event study verschillende complicaties voordoen. In deze paragraaf zal ik zes complicaties bespreken waarmee men te maken heeft, wanneer rondom het tijdstip van de corrigerende mededeling een event study wordt uitgevoerd om het koerseffect van (het bekend worden van) de misleiding vast te stellen.1 Het is noodzakelijk dat men zich van deze complicaties bewust is, en dat er in de analyse rekening mee gehouden wordt. Gebeurt dat namelijk niet, dan bestaat het reële gevaar dat uit de (uitkomst van de) event study de verkeerde juridische conclusies worden getrokken.2
a. Het probleem van ‘confounding events’: tijdens (langere) event period wordt ook andere bedrijfsspecifieke informatie gepubliceerd
Een eerste complicatie doet zich voor wanneer tijdens de event period naast de corrigerende mededeling tevens andere (niet aan de misleiding gerelateerde) bedrijfsspecifieke informatie wordt gepubliceerd (het gaat hier om een zogenoemde ‘confounding event’).3 In dat geval representeert het over de event period gemeten abnormale rendement zowel het koerseffect van de corrigerende mededeling, als het koerseffect van de andere bedrijfsspecifieke informatie, zodat het lastig is om de koersinvloed van de misleidende informatie te bepalen. Dit probleem verergert wanneer de event window meer dan één handelsdag beslaat, omdat naarmate de event period langer duurt, de kans op confounding events zal toenemen.4 Voor het probleem van confounding events bestaat grosso modo een viertal oplossingen. Ik bespreek ze hier achtereenvolgens.
In de situatie waarin de event period uit meer dan één handelsdag bestaat, is een eerste mogelijke oplossing om de dagen waarop sprake was van een of meer confounding events, simpelweg uit de event period te verwijderen.5 De event period die overblijft, bevat dan louter nog handelsdagen waarop inform atie over de misleiding bekend werd, zodat men zeker weet dat het over de event period gemeten abnormale rendement volledig is toe te schrijven aan de (bekendwording van de) misleidende informatie. Dit abnormale rendement wordt dan dus niet langer ‘vertroebeld’ door het koerseffect van de confounding events. Hoewel het op deze wijze aanpassen van de event window een eenvoudige en voor de hand liggende oplossing is, heeft zij wel als nadeel dat het verwijderen van handelsdagen uit de event period ertoe kan leiden dat – voor het beoordelen van de koersinvloed van de misleiding – relevante informatie gaat. In zoverre verdienen de drie hierna te noemen oplossingen de voorkeur.
Een tweede mogelijke oplossing is om het event window te verkleinen (en/ of om het in kleinere ‘sub event windows’ op te delen) door gebruik te maken van zogenoemde ‘intraday trading data’.6 Dit houdt in dat het koersverloop van het litigieuze aandeel wordt geanalyseerd over kortere tijdseenheden dan de periode van één handelsdag. In plaats van naar het rendement per dag, wordt dan bijvoorbeeld gekeken naar het rendement per uur of per minuut, of in bepaalde gevallen kan er zelfs voor worden gekozen om te kijken naar de koersdaling of koersstijging die bepaalde (verdachte) transacties teweegbrachten. Hierdoor kan het totale abnormale rendement dat over een bepaalde event day wordt gemeten dan worden uitgesplitst in enerzijds een deel dat is terug te voeren op de corrigerende mededeling, en anderzijds een deel dat is terug te voeren op de andere bedrijfsspecifieke informatie. Hoewel het werken met intraday trading data in beginsel de meest nauwkeurige oplossing is om aan het probleem van confounding events het hoofd te bieden, heeft deze oplossing wel als nadeel dat zij nogal arbeidsintensief kan zijn. Niet alleen het koersverloop van het litigieuze aandeel zal immers op intraday basis moeten worden bekeken, maar ook het koersverloop van de in de regressieanalyse gehanteerde markt- en sectorindex.7 Aangezien intraday trading data voor deze indices lang niet altijd standaard beschikbaar zullen zijn, zullen die dan apart moeten worden geconstrueerd.8
Een derde mogelijke oplossing is om een zogenoemde ‘content analysis’ uit te voeren.9 Dit houdt in dat alle persberichten en analistenrapporten die tijdens en vlak na de event period10 over de onderzochte beursvennootschap zijn verschenen op systematische wijze worden geanalyseerd, en dat zorgvuldig wordt bijgehouden met welke frequentie (en eventueel met welke intensiteit) over de verschillende confounding events werd gerapporteerd.11 Onder de aanname dat de frequentie waarmee over een bepaald event wordt gerapporteerd indicatief is voor de relevantie van dit event, kan op basis van de relatieve frequenties waarmee over de verschillende confounding events werd gepubliceerd dan een uitspraak worden gedaan over het relatieve koerseffect van deze events.12,13 Blijkt uit de content analysis bijvoorbeeld dat – in verhouding tot de andere bedrijfsspecifieke informatie – relatief veel berichten verschenen over de (bekendwording van de) misleidende informatie, dan is dat op zichzelf een aanwijzing dat het grootste deel van de totale koersreactie is terug te voeren op de misleidende informatie.14 Blijkt uit de content analysis daarentegen dat – in verhouding tot de andere bedrijfsspecifieke informatie – relatief weinig berichten over de (bekendwording van de) misleidende informatie verschenen, dan is dat op zichzelf een aanwijzing dat het grootste deel van de totale koersreactie is terug te voeren op de andere bedrijfsspecifieke informatie.15 Men kan in deze analyse nog een stap verder gaan, en tevens de aanname hanteren dat de mate waarin de frequenties waarmee over de verschillende confounding events wordt gerapporteerd zich tot elkaar verhouden, representatief is voor de mate waarin de koerseffecten van deze events zich tot elkaar verhouden.16 Blijkt dus bijvoorbeeld uit de content analysis dat over de (bekendwording van de) misleidende informatie twee keer zo veel berichten verschenen als over de andere bedrijfsspecifieke informatie, dan kan – uitgaande van voormelde aanname – daaruit worden afgeleid dat tweederde deel van de totale koersreactie is terug te voeren op de misleidende informatie, en dat slechts éénderde deel is terug te voeren op de andere bedrijfsspecifieke informatie. Het moge duidelijk zijn dat de hier besproken oplossing niet geschikt is om de koersinvloed van de misleidende informatie met een wiskundige mate van zekerheid vast te stellen.17 Dit laat echter onverlet dat bij (de aanwezigheid van) confounding events deze oplossing wel een nuttig (eerste) aanknopingspunt kan verschaffen bij het ontleden van de over de event period gemeten koersreactie. 18 In de situatie waarin tijdens de event period naast de corrigerende mededeling tevens financiële resultaten worden gepubliceerd die met (de bekendwording van) de misleiding geen verband houden (een situatie die in de praktijk nogal eens voorkomt), is een vierde mogelijke oplossing om gebruik te maken van zogenoemde ‘earnings response coefficients’.19,20 Een earnings response coefficient (‘ERC’) is een coëfficiënt (of parameter) die de gevoeligheid uitdrukt waarmee de beurskoers reageert op een zogenoemde ‘earnings surprises’.21 Een earnings surprise is het verschil tussen de met een bepaalde financiële publicatie gerapporteerde winst, en de op het moment van deze publicatie door de markt verwachte winst. Een ERC kan worden verkregen door aan de hand van een verzameling van financiële publicaties (en bijbehorende koersreacties) uit het verleden een relatie te schatten tussen enerzijds de earnings surprise waarmee een bepaalde financiële publicatie gepaard ging, en anderzijds de (residuele) koersreactie die deze publicatie teweegbracht.22,23 Door de aldus geschatte ERC vervolgens toe te passen op de earnings surprise waarmee de publicatie van financiële resultaten tijdens de event period gepaard ging, kan worden berekend (of beter gezegd: geschat) welk deel van het totaal over de event period gemeten abnormale rendement is terug te voeren op laatstbedoelde publicatie. Daarmee is dan ook meteen gegeven welk deel van het totale abnormale rendement is terug te voeren op de corrigerende mededeling. Over het gebruik van ERC’s bij het beoordelen van de koersinvloed van misleidende informatie kom ik in § 8.4.4 nader te spreken.
b. Publicatie van corrigerende mededeling wordt gecombineerd met depublicatie van andere bedrijfsspecifieke informatie
Een tweede complicatie doet zich voor wanneer de corrigerende mededeling wordt gecombineerd (of toevalligerwijs samenvalt) met de publicatie van andere (niet aan de misleiding gerelateerde) bedrijfsspecifieke informatie.24,25 Hierbij kan het zo zijn dat de mededeling die de eerdere misleiding corrigeert en de (mededeling met de) andere bedrijfsspecifieke informatie in één en dezelfde publicatie zijn opgenomen, maar het is uiteraard ook goed mogelijk dat beide mededelingen in afzonderlijke publicaties zijn opgenomen (die vervolgens wel op exact hetzelfde moment naar buiten worden gebracht). Ook in dit geval zal het over de event period geobserveerde abnormale rendement zowel het koerseffect weerspiegelen dat is terug te voeren op de (bekendwording van de) misleidende informatie, als het koerseffect dat is terug te voeren op de andere bedrijfsspecifieke informatie, zodat het lastig is om (op basis van een event study) de koersinvloed van de misleidende informatie te bepalen. Aangezien deze situatie een variant is van de hiervoor sub a behandelde situatie, kunnen voor beide situaties dezelfde oplossingen worden gehanteerd. In de eerste plaats kan worden geprobeerd om met behulp van content analysis het koerseffect van de (bekendwording van de) misleidende informatie van het totale koerseffect te isoleren. En wanneer de corrigerende mededeling wordt gecombineerd met de publicatie van financiële resultaten, kan tevens worden geprobeerd om aan de hand van een geschatte ERC de koerseffecten van beide mededelingen uit elkaar te trekken.26 De methodologieën die aan beide oplossingen ten grondslag liggen heb ik hiervoor reeds behandeld, dus die zal ik hier niet herhalen.
Overigens wijs ik erop dat wanneer de corrigerende mededeling wordt gecombineerd met (niet aan de misleiding gerelateerde) bedrijfsspecifieke informatie die positief van aard is, het zeer wel mogelijk is dat een (zichtbare) koersreactie uitblijft en dus geen significant abnormaal rendement wordt gemeten. Het negatieve koerseffect van de bekendwording van de misleiding en het positieve koerseffect van de andere bedrijfsspecifieke informatie kunnen zich dan immers zodanig tot elkaar verhouden, dat beide effecten elkaar opheffen.
c. Koersdaling naar aanleiding van corrigerende mededeling weerspiegelt tevens het koerseffect van gevolgschade
Een derde complicatie is dat de koersdaling die als gevolg van de corrigerende mededeling intreedt, meestal niet alleen het koerseffect van (het bekend worden van) de misleidende informatie zal weerspiegelen, maar tevens het koerseffect van verschillende typen gevolgschade.27 Bij deze gevolgschade kan in de eerste plaats worden gedacht aan het extra koersverlies dat de corrigerende mededeling veroorzaakt, vanwege het door de markt alvast inprijzen van in de toekomst door de beursvennootschap te maken kosten in verband met juridische procedures, zoals proceskosten, kosten voor juridische bijstand of een eventueel te betalen schadevergoeding.28 In de tweede plaats kan worden gedacht aan het extra koersverlies dat intreedt omdat de markt (vanwege de misleiding) voortaan minder vertrouwen heeft in de kwaliteit en/of integriteit van het management van de beursvennootschap en/of in de kwaliteit van de interne risicobeheersings- en controlesystemen.29 In de derde plaats kan men denken aan het extra koersverlies dat de corrigerende mededeling veroorzaakt, vanwege het door de markt alvast inprijzen van tegenvallende toekomstige resultaten en hogere verwachte financieringskosten als gevolg van de negatieve publiciteit die (het bekend worden van) de misleiding teweegbrengt.30 In de vierde plaats kan men denken aan het extra koersverlies dat intreedt omdat de markt er rekening mee houdt dat (het bekend worden van) de misleiding tot gevolg zal hebben dat belangrijke bestuurders het veld zullen moeten ruimen.31 Wordt bij het bepalen van de koersinvloed van de misleidende informatie dus aangeknoopt bij de koersreactie naar aanleiding van de corrigerende mededeling, dan bestaat vanwege het koerseffect van de hier bedoelde gevolgschade het reële gevaar dat deze koersinvloed wordt overschat.
Een mogelijke oplossing voor dit probleem is dat voor het bepalen van de koersinvloed van de misleidende informatie niet wordt gekeken naar de (negatieve) koersreactie die plaatsvond naar aanleiding van de corrigerende mededeling, maar dat – in plaats daarvan – wordt gekeken naar de (positieve) koersreactie die plaatsvond toen de misleidende mededeling voor de eerste keer werd gedaan (c.q. toen de litigieuze informatie voor de eerste keer werd achtergehouden).32 In plaats van een event study uit te voeren rondom het tijdstip waarop de misleiding bekend werd, wordt er bij deze oplossing dus voor gekozen een event study uit te voeren rondom het tijdstip waarop de misleiding begon. Deze oplossing heeft alleen wel als nadeel, dat zij alleen maar kan worden toegepast wanneer (i) de misleiding bestond uit het actief publiceren van een misleidende mededeling, (ii) deze mededeling voor de markt als een positieve verrassing kwam, en (iii) de litigieuze informatie nog op geen enkele wijze door de markt werd verwacht.33 Bestond de misleiding echter uit (i) het niet publiceren van relevante informatie (de misleidende omissie), (ii) het actief publiceren van een misleidende mededeling teneinde een negatieve verrassing daarmee te voorkomen (of althans, een grotere (negatieve) verrassing te voorkomen dan de verrassing waarmee de markt thans werd geconfronteerd), of (iii) werd de in de misleidende mededeling vervatte informatie reeds geheel of gedeeltelijk door de markt verwacht, dan werkt deze oplossing niet. Voor de uitleg waarom de oplossing in deze gevallen niet werkt, verwijs ik naar § 8.4.2.2.
Wanneer de misleiding bestond uit het te gunstig voorstellen van financiële resultaten, dan is een tweede mogelijke oplossing voor het zojuist genoemde probleem dat wordt geprobeerd om met behulp van een earnings response coefficient (‘ERC’) de koersinflatie te schatten op het moment waarop de misleidende resultaten (de eerste keer) werden gepubliceerd.34,35 Deze oplossing komt er kort gezegd op neer dat eerst wordt bepaald met welke earnings surprise de markt zou zijn geconfronteerd wanneer de vennootschap – in plaats van misleidende – juiste (en volledige) resultaten zou hebben gepubliceerd.36 Deze (hypothetische) earnings surprise wordt daarna vermenigvuldigd met een geschatte ERC en aldus verkrijgt men een schatting van het (hypothetische) abnormale rendement dat zou zijn geobserveerd bij publicatie van de juiste (en volledige) resultaten. Het koerseffect van de misleiding kan vervolgens worden bepaald door dit hypothetische abnormale rendement te vergelijken met het abnormale rendement dat thans werd geobserveerd naar aanleiding van de publicatie van de misleidende resultaten. Over het gebruik van ERC’s bij het bepalen van de koersinvloed van de misleidende informatie kom ik in § 8.4.4 nader te spreken.
d. Inhoud van de misleidende informatie wijzigt over het tijdvak van de misleiding
Een vierde complicatie is dat de inhoud van de misleidende informatie niet constant hoeft te zijn, en deze over het tijdvak van de misleiding kan fluctueren. Het probleem dat zich dan voordoet, is dat de informatie die is opgenomen in de corrigerende mededeling niet representatief is voor de informatie die eerder in het tijdvak van de misleiding kon en/of moest worden gepubliceerd, en dat de koersreactie naar aanleiding van de corrigerende mededeling derhalve niet representatief is voor de koersinflatie die zich eerder in het tijdvak van de misleiding had gevormd. Twee scenario’s kunnen in dit verband worden onderscheiden.37 In de eerste plaats kan de inhoud van de misleidende informatie zich zodanig ontwikkelen, dat de informatie gaandeweg minder misleidend wordt. In dat geval zal de koersinflatie afnemen (of – bij het creëren van een misleidend negatief beeld – de koersdeflatie afnemen).38 De inhoud van de misleidende informatie kan zich echter ook zodanig ontwikkelen, dat de informatie gaandeweg meer misleidend wordt.39 In dat geval zal de koersinflatie toenemen (of –bij het creëren van een misleidend negatief beeld – de koersdeflatie toenemen).
Een voorbeeld van het eerstgenoemde scenario is de situatie waarin de vennootschap een misleidend persbericht publiceert waarin zij bekendmaakt een zeer lucratieve order te hebben binnengesleept, terwijl in werkelijkheid het doorgaan van de order op dat moment nog onzeker is.40 Verlopen de onderhandelingen tussen de vennootschap en haar (potentiële) klant vervolgens echter zodanig positief dat de order tóch doorgaat, dan wordt (de informatie in) het eerdere persbericht daarmee alsnog bewaarheid. Waar het persbericht op het moment van publicatie dus nog misleidend was, is het dat op het moment van (het bekend worden van) het doorgaan van de order niet meer.41 Publiceert de vennootschap daarna een persbericht met de mededeling dat zij de kans van slagen van de order aanvankelijk te optimistisch heeft voorgesteld, maar dat dit verder niet meer uitmaakt omdat de order uiteindelijk toch is doorgegaan, dan zal de beurskoers in beginsel niet (meer) reageren.42 Het doorgaan van de order was immers reeds in de beurskoers verdisconteerd. Uit het feit dat een koersreactie naar aanleiding van de corrigerende mededeling uitblijft, mag men echter niet afleiden dat de litigieuze informatie ook geen koersinvloed had toen de order de eerste keer werd aangekondigd. Op dat moment werd immers een 100% zekere order aangekondigd die in werkelijkheid nog onzeker was, zodat zeer aannemelijk is dat op dat moment sprake was van koersinflatie. Deze koersinflatie kan worden berekend door de kans te schatten die de markt aan het doorgaan van de order zou hebben toegekend, wanneer in het eerste persbericht de mogelijkheid dat op korte termijn wellicht een lucratieve order zou worden binnengehaald, realistisch zou zijn voorgesteld.43
Een voorbeeld van het scenario waarin de inhoud van de misleidende informatie zich zodanig ontwikkelt dat de informatie gaandeweg meer misleidend wordt, is de situatie waarin in het zojuist gegeven voorbeeld de onderhandelingen tussen de vennootschap en haar (potentiële) klant zodanig verlopen dat de order uiteindelijk wordt afgeblazen.44 Publiceert de vennootschap vervolgens een corrigerende mededeling waarin zij bekendmaakt dat zij in haar eerdere persbericht ten onrechte een lucratieve order heeft aangekondigd die bij nader inzien niet blijkt door te gaan, dan zal in reactie op dit nieuws een significante koersdaling intreden. Deze koersdaling is echter wederom niet representatief voor de koersinflatie eerder in het tijdvak van de misleiding. Op het moment van publicatie van het eerste (misleidende) persbericht was immers nog niet bekend of de order al dan niet zou doorgaan, zodat de corrigerende mededeling meer informatie bevat dan ten tijde van het eerste persbericht kon worden gegeven.45 Het vaststellen van (de omvang van) deze koersinflatie vereist wederom een inschatting van de kans die de markt aan het doorgaan van de order zou hebben toegekend, wanneer met het eerste persbericht een juist en volledig beeld zou zijn geschetst.46
Ik wijs er nog op dat in het scenario waarin de misleidende informatie over het tijdvak van de misleiding gaandeweg meer misleidend wordt en de koersinflatie dientengevolge toeneemt, het feit dat de koersreactie naar aanleiding van de corrigerende mededeling niet representatief is voor de koersinflatie eerder in het tijdvak van de misleiding, vanuit materieelrechtelijk oogpunt in principe alleen een probleem is bij het bepalen van de omvang van de koersinvloed van de misleiding. Het is met andere woorden alleen een probleem bij het bepalen van de omvang van de schade(vergoeding). Het is in principe geen probleem bij het antwoord op de vraag óf de misleidende informatie de beurskoers heeft beïnvloed (en dus ook niet bij het antwoord op de vraag óf de misleidende informatie rechtens relevante schade heeft veroorzaakt). Wordt op het moment van de corrigerende mededeling immers een significante koersreactie gemeten, dan weet men bij een toenemende koersinflatie zeker dat de beleggers die tijdens het tijdvak van de misleiding een of meer aandelen hebben gekocht (en deze tot na het moment van de corrigerende mededeling hebben aangehouden), als gevolg van de misleiding schade hebben geleden.47,48 En in het scenario waarin de misleidende informatie over het tijdvak van de misleiding gaandeweg minder misleidend wordt en de koersinflatie dientengevolge afneemt, is het feit dat de koersreactie naar aanleiding van de corrigerende mededeling niet representatief is voor de koersinflatie eerder in het tijdvak van de misleiding, materieelrechtelijk gezien eigenlijk in het geheel geen probleem. In dit scenario geldt op grond van het materiële recht immers dat de rechtens toerekenbare schade wordt gemaximeerd op het bedrag van de (resterende) koersinflatie op het moment van de bekendwording van de misleiding, zodat het in beginsel niet van belang is hoe de koersinflatie zich over het tijdvak van de misleiding precies heeft ontwikkeld.49
Uit het voorgaande kan dus worden afgeleid dat in beginsel alleen in het scenario waarin de misleidende informatie over het tijdvak van de misleiding gaandeweg meer misleidend wordt en de koersinflatie dientengevolge toeneemt, relevant is hoe de beurskoers zich in de hypothetische situatie zonder misleiding precies zou hebben ontwikkeld. Dit hypothetische koersverloop zal op basis van financieel-economische technieken moeten worden gemodelleerd. In beginsel gaat het hier louter om een kwestie van schadebegroting (zie hierover § 8.4.3-§ 8.4.4).
e. Marktwaarde van de misleidende informatie fluctueert over het tijdvak van de misleiding
Een vijfde complicatie is dat de koersinflatie over het tijdvak van de misleiding ook kan fluctueren, omdat onder invloed van externe factoren de marktwaarde van de misleidende informatie fluctueert. Ook in dat geval doet zich het probleem voor dat de koersreactie naar aanleiding van de corrigerende mededeling niet representatief is voor de koersinflatie die zich eerder in het tijdvak van de misleiding had gevormd.50 Wederom kunnen hier twee scenario’s worden onderscheiden.51 In de eerste plaats kan onder invloed van externe factoren de marktwaarde van de misleidende informatie over het tijdvak van de misleiding toenemen.52 In dat geval zal de koersinflatie eveneens toenemen. De marktwaarde van de misleidende informatie kan als gevolg van externe factoren over het tijdvak van de misleiding echter ook afnemen. In dat geval zal de koersinflatie afnemen.
Evenals voor de situatie van een veranderende inhoud van de misleidende informatie gold, geldt ook voor de situatie van een fluctuerende marktwaarde van de misleidende informatie, dat in het scenario waarin (als gevolg van een toenemende marktwaarde van de misleidende informatie) de koersinflatie over het tijdvak van de misleiding toeneemt, het feit dat de koersreactie naar aanleiding van de corrigerende mededeling niet representatief is voor de koersinflatie eerder in het tijdvak van de misleiding, vanuit materieelrechtelijk oogpunt in principe alleen een probleem is bij het bepalen van de omvang van de schade(vergoeding) (zie over dit probleem § 8.4.3-§ 8.4.4). Het is in principe geen probleem bij het antwoord op de vraag óf de misleidende informatie rechtens relevante schade heeft veroorzaakt.53 En evenals voor de hierboven sub d besproken situatie gold, geldt ook voor de hier besproken situatie dat in het scenario waarin (als gevolg van een afnemende marktwaarde van de misleidende) de koersinflatie over het tijdvak van de misleiding afneemt, het feit dat de koersreactie naar aanleiding van de corrigerende mededeling niet representatief is voor de koersinflatie eerder in het tijdvak van de misleiding, materieelrechtelijk gezien eigenlijk in het geheel geen probleem is.
f. Verschillende opeenvolgende misleidende mededelingen/omissies
Een zesde complicatie doet zich voor wanneer sprake is van verschillende opeenvolgende misleidende mededelingen en/of omissies over het tijdvak van de misleiding.54 Indien deze opeenvolgende misleidende mededelingen niet door (over verschillende dagen verspreide) afzonderlijke mededelingen worden gecorrigeerd, maar – in plaats daarvan – door middel van één enkele corrigerende mededeling, speelt wederom het probleem dat de koersreactie naar aanleiding van de corrigerende mededeling niet representatief is voor de koersinflatie eerder in het tijdvak van de misleiding.55 De koersreactie die naar aanleiding van de corrigerende mededeling wordt geobserveerd, weerspiegelt immers niet slechts het koerseffect van één enkele misleidende mededeling die tijdens het tijdvak van de misleiding is gedaan, maar – in plaats daarvan – het cumulatieve effect van verschillende misleidende mededelingen die over het tijdvak van de misleiding zijn gedaan. Hierdoor zal het in het algemeen zo zijn dat de (residuele) koersreactie die op het moment van de bekendwording van de misleiding wordt gemeten, groter is dan de koersinflatie waarvan sprake was eerder in het tijdvak van de misleiding.56 Wel teken ik hierbij aan, dat het bij opeenvolgende misleidende mededelingen mijns inziens niet noodzakelijkerwijs zo hoeft te zijn dat de koersinflatie over het gehele tijdvak van de misleiding stapsgewijs blijft toenemen.57 Zeker wanneer het tijdvak van de misleiding een relatief lange periode beslaat waarin vele misleidende mededelingen elkaar (eventueel periodiek) opvolgen, is het waarschijnlijker dat na verloop van tijd sprake zal zijn van een zekere stabilisatie van de koersinflatie.58 Na verloop van tijd zullen de misleidende mededelingen die eerder in het tijdvak van de misleiding zijn gedaan namelijk geleidelijk hun relevantie verliezen, en worden achterhaald door de misleidende mededelingen die recent(er) zijn gedaan.59 Hierdoor zal de koersinflatie die eerder in het tijdvak van de misleiding (als gevolg van de ‘oude’ misleidende mededelingen) was ontstaan geleidelijk ‘uitdoven’ en worden ‘vervangen’ door ‘nieuwe(re)’ koersinflatie veroorzaakt door de recente(re) misleidende mededelingen. Als de ‘oude’ en ‘nieuwe’ misleidende mededelingen wat de mate waarin zij misleidend zijn betreft niet al te veel van elkaar verschillen, zal dit een zekere stabilisatie van de koersinflatie met zich brengen.60
Verder wijs ik erop dat het feit dat de koersreactie naar aanleiding van de corrigerende mededeling niet representatief is voor de koersinflatie eerder in het tijdvak van de misleiding, in de situatie van opeenvolgende misleidende mededelingen – in tegenstelling tot de situaties die hierboven werden besproken sub d en sub e – niet slechts een kwestie is van schadebegroting. Uit de koersreactie naar aanleiding van de corrigerende mededeling is immers niet af te leiden of ook de misleidende mededelingen die eerder in het tijdvak van de misleiding zijn gedaan, tot koersinflatie hebben geleid. Zo is het – zeker in theorie – niet uitgesloten dat alleen de meest recente misleidende mededelingen de beurskoers hebben beïnvloed, en dat de misleidende mededelingen die eerder in het tijdvak van de misleiding zijn gedaan, in het geheel niet tot koersinflatie hebben geleid. In dat geval hebben de beleggers die aan het begin van het tijdvak van de misleiding hun aandeel hebben gekocht daarvoor niet een kunstmatig hoge prijs betaald, en hebben zij derhalve ook geen koersschade geleden die in causaal verband staat met de misleiding. Of dit laatste inderdaad zo is, is echter niet op te maken uit de koersreactie naar aanleiding van de corrigerende mededeling.