Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II
Einde inhoudsopgave
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/81:81 Twee interpretaties van ‘hetzelfde onderwerp’
Parallelle procedures en misbruik van procesrecht onder de EEX-Verordening II (BPP nr. XVI) 2015/81
81 Twee interpretaties van ‘hetzelfde onderwerp’
Documentgegevens:
mr. J.F. Vlek, datum 30-10-2014
- Datum
30-10-2014
- Auteur
mr. J.F. Vlek
- JCDI
JCDI:ADS505238:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Europees burgerlijk procesrecht
Internationaal privaatrecht / Internationaal bevoegdheidsrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Conclusie AG Mancini voor het arrest Gubisch, zaak 144/86, sub 4.
HvJEG 8 december 1987, zaak 144/86, Jur. 1987, p. 4861, NJ 1989/420 m.nt. JCS (Gubisch), r.o. 16-18.
HvJEG 8 december 1987, zaak 144/86 (Gubisch), r.o. 18. Zie kritisch P. Vlas, Groene Serie, Burgerlijke Rechtsvordering (uitgave Kluwer), EEX c.a., art. 27 EEX-Vo, aant. 2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hier spelen twee verschillende interpretaties van het begrip ‘hetzelfde onderwerp’ een rol die in het arrest Gubisch naar voren zijn gekomen. In de ruimere interpretatie is in de casus in Gubisch wel degelijk sprake van hetzelfde onderwerp. De litispendentieregeling moet immers voorkomen dat hetzelfde geschil voor gerechten van verschillende staten wordt gebracht, met het daaraan verbonden gevaar van onderling tegenstrijdige en daarom niet voor erkenning in aanmerking komende beslissingen (art. 45 lid 1 sub c EEX-Vo II). Art. 29 EEX-Vo II (art. 21 EEX-Verdrag) gaat derhalve niet slechts op wanneer de vorderingen qua onderwerp en oorzaak volledig samenvallen, maar ook wanneer zij ondanks een verschillende inhoud op dezelfde rechtsbetrekking zijn gebaseerd. Daartegenover staat de letterlijke (strikte) interpretatie die meebrengt dat in het onderhavige geval van een vordering tot nietigheid c.q. ontbinding aan de ene kant en een vordering tot nakoming aan de andere kant, geen sprake is van hetzelfde onderwerp. De vorderingen betreffen weliswaar dezelfde overeenkomst maar hebben een verschillend onderwerp. Bovendien worden vorderingen die niet hetzelfde onderwerp betreffen bestreken door de regel inzake samenhang van art. 30 EEX-Vo II (art. 22 EEX-Verdrag). Ook AG Mancini bepleit in zijn conclusie voor het arrest Gubisch een dergelijke interpretatie en stelt dat de angst voor onverenigbare beslissingen reeds door art. 30 EEX-Vo II (art. 22 EEX-Verdrag) weggenomen wordt.1 Het HvJ kiest echter voor de ruime interpretatie en overweegt als volgt:
‘In het bijzonder wanneer het zoals in casu gaat om internationale verkoop van lichamelijke roerende zaken, wordt met de vordering tot nakoming van de overeenkomst kennelijk beoogd deze te doen naleven, terwijl de vordering tot nietigverklaring en ontbinding er juist toe strekt, er iedere werking aan te ontnemen. Centraal in beide gedingen staat dus de verbindendheid van de overeenkomst. Indien de vordering tot nietigverklaring of ontbinding het laatst is ingesteld, kan zij zelfs beschouwd worden als een verweermiddel tegen de eerste vordering, in de vorm van een zelfstandige actie voor een gerecht van een andere verdragsluitende staat. (…)
Indien immers in een geval als het onderhavige de omstreden vragen betreffende een zelfde internationale verkoopovereenkomst niet uitsluitend beslecht werden door het gerecht waar de vordering tot nakoming aanhangig is en dat als eerste is aangezocht, zou de partij die nakoming van de overeenkomst vordert, het risico lopen, dat een te haren gunste gegeven beslissing niet wordt erkend op grond van artikel 27, sub3, ook al zou het eventueel door de wederpartij aangevoerde verweer, dat de overeenkomst niet verbindend is, zijn afgewezen. Het leidt immers geen twijfel, dat een in een verdragsluitende staat gegeven rechterlijke beslissing waarbij de wederpartij tot nakoming van een overeenkomst is veroordeeld, in de aangezochte staat niet zal worden erkend, indien een gerecht van deze laatste staat de nietigverklaring of de ontbinding van dezelfde overeenkomst heeft uitgesproken.’2
Dit laatste zou tegen de doelstelling van de EEX-Verordening II ingaan om de erkenning van beslissingen te vergemakkelijken.3