Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/5.2.3.2
5.2.3.2 Levering oude gebouwen
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291469:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Bijlage II, punt II bij de nota van de Groep financiële vraagstukken van 8 oktober 1976, nr. T/755/76 (FIN).
Bijlage I, punt I bij de nota van de Groep financiële vraagstukken van 8 oktober 1976, nr. T/755/76 (FIN).
Nota van de voorzitter van 12 oktober 1976, nr. R/2352/76 (FIN 616), p. 3. In de nota staat niet vermeld om welke voorzitter het gaat. Niettemin is uit de inhoud van de brief - door de voorzitter opgestelde teksten die worden voorgelegd aan de Raad met het oog op zijn zitting van 21 oktober 1976 - af te leiden dat het gaat om de voorzitter van het Comité van Permanente Vertegenwoordigers.
Nota van de voorzitter van 9 december 1976, nr. R/3034/76 (FIN 808), p. 10-11. In de nota staat niet vermeld om welke voorzitter het gaat. Niettemin is uit de inhoud van de brief - door de voorzitter opgestelde teksten die worden voorgelegd aan de Raad met het oog op zijn zitting van 16 december 1976 - af te leiden dat het gaat om de voorzitter van het Comité van Permanente Vertegenwoordigers.
Memorandum van de voorzitter van 3 januari 1977, nr. R/3256/76 (FIN 890), p. 5. In het memorandum staat niet vermeld om welke voorzitter het gaat. Uit de datering is af te leiden dat het de voorzitter van het Comité van Permanente Vertegenwoordigers betreft.
De lidstaten waren het erover eens dat de levering van oude gebouwen vrijgesteld moest zijn van btw-heffing indien de belastingplichtige ter zake van het betreffende gebouw geen enkel recht heeft gehad op aftrek van de in de vorige stadia betaalde btw.1 Over de voorgestelde btw-heffing over de levering van oude gebouwen door een belastingplichtige die ter zake van het betreffende gebouw wel recht op aftrek heeft genoten, liepen de meningen uiteen. Italië, Ierland en Nederland waren voorstanders van btw-heffing ter zake van deze leveringen. België, Duitsland, Denemarken, Frankrijk, Luxemburg en het Verenigd Koninkrijk waren daarentegen voorstanders van een vrijstelling voor de levering van gebruikte gebouwen met een optie voor btw-heffing.2
Aan de Raad is als compromis voorgesteld om de levering van oude gebouwen vrij te stellen van btw-heffing met de mogelijkheid waarbij de lidstaten gedurende de overgangsperiode belastingplichtigen het recht kunnen verlenen om te opteren voor btw-heffing.3 In de nadere uitwerking van dit compromisvoorstel was de optie voor btw-heffing beperkt tot de leveringen die worden verricht ten behoeve van een andere belastingplichtige met het oog op zijn economische bedrijvigheid en werd lidstaten de mogelijkheid gegeven om de draagwijdte van de optiemogelijkheid te beperken.4 Dit (compromis)voorstel is in gewijzigde vorm door de Raad aanvaard. De beperking van de optieregeling tot de leveringen van gebruikte gebouwen die worden verricht ten behoeve van een andere belastingplichtige met het oog op zijn economische bedrijvigheid, hebben de lidstaten niet overgenomen. Daarnaast wensten de lidstaten op te nemen dat de lidstaten de wijze van uitvoering van de keuzemogelijkheid bepalen.5 Het resultaat van dit compromis is te vinden in (thans) art. 135 lid 1, onderdeel j Btw-richtlijn en (thans) art. 137 lid 1, onderdeel b en lid 2 Btw-richtlijn. In eerstgenoemde richtlijnbepaling is het uitgangspunt te vinden dat de levering van oude gebouwen door een belastingplichtige vrijgesteld is van btw-heffing. In laatstgenoemde richtlijnbepaling is op deze regel een uitzondering geformuleerd door lidstaten de mogelijkheid te geven om belastingplichtigen het recht te verlenen om te kiezen voor btw-heffing.