Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/3.7
3.7 Conclusie en afronding
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS303960:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
De erfpachter, medebezitter, verkrijger onder opschortende voorwaarde en ouder/voogd uit respectievelijk art. 6:174 lid 2, eerste zin, art. 6:180 lid 1 en lid 2, alsmede art. 6:183 lid 2.
De weg-, waterstaatswerk-, leiding- en kabelbeheerder uit art. 6:174 lid 2, tweede zin (waaraan de beheerder van de spoorweginfrastructuur ex lid 2 van art. 8:1661 kan worden toegevoegd), alsmede de exploitant van een ondergronds werk uit art. 6:174 lid 3 (waaraan de in art. 8:1661 lid 1 genoemde spoorwegonderneming die een spoorvoertuig in gebruik heeft valt toe te voegen).
In dezelfde zin Tjittes 1995, p. 280 en Jansen 2007, p. 180.
Denk met name aan de kwalitatieve aansprakelijkheid voor personen ex art. 6:169-172.
Dit spoor is wel gevolgd in de Wet op de Aansprakelijkheid voor Kernongevallen, op grond waarvan alleen de exploitant van de kerninstallatie – en niemand anders – aansprakelijk kan worden gesteld voor schade door een kernongeval. Ook een regresvordering van deze exploitant op een ‘schuldige’ ander is niet mogelijk. Zie nader Vanden Borre 2001, p. 175 e.v.
Op het terrein van de in afd. 6.3.2 BW geregelde kwalitatieve aansprakelijkheid voor zaken kunnen zich tal van samenloopvragen voordoen. Het uitgangspunt in geval van samenloop is een cumulatie van de toepasselijke rechtsregels. Binnen afd. 6.3.2 BW heeft de wetgever hierop ingegrepen door middel van diverse kanaliseringsconstructies, waarmee is beoogd ter zake van eenzelfde gebeurtenis steeds zoveel mogelijk maar één persoon kwalitatief aansprakelijk te doen zijn. Hiervan vormt de regeling van art. 6:181 een voornaam voorbeeld. Lid 1 van deze bepaling heeft – voor wat betreft de aansprakelijke persoon – exclusieve werking ten opzichte van art. 6:173, 174 en 179. Lid 2 en 3 van art. 6:181 lid 2 en 3 hebben eveneens exclusieve werking: in geval van terbeschikkingstelling van de in art. 6:173, 174, 175 en 179 bedoelde zaken wordt de aansprakelijkheid steeds gedirigeerd naar de ‘eindgebruiker’. Art. 6:181 heeft ook exclusieve werking ten opzichte van de in afd. 6.3.2 BW voorkomende ‘bijzondere’ personen waarvoor de bezitter in bepaalde gevallen inwisselbaar is.1 Voor de overige ‘bijzondere’ personen uit afd. 6.3.2 BW geldt dat deze (deels) buiten het stelsel van art. 6:173, 174 en 179 jo. 181 staan.2 Is sprake van schade door een gebrekkige roerende zaak die tevens onder het bereik van afd. 6.3.3 BW valt, dan heeft de aansprakelijkheid van de producent exclusieve werking ten opzichte van die van de bezitter of bedrijfsmatige gebruiker uit art. 6:173 en 181. Kwalificeert een product tevens als een opstal of gevaarlijke stof uit art. 6:174 en 175, dan is cumulatie van aansprakelijkheid op grond van afd. 6.3.3 en 6.3.2 BW wél mogelijk. Art. 6:181 heeft geen exclusieve werking ten opzichte van andere kwalitatieve aansprakelijkheden dan die uit art. 6:173, 174 en 179. Voorts laat art. 6:181 de mogelijkheid van een vordering op grond van onrechtmatige daad of overeenkomst onverlet.
Het doel van de diverse kanaliseringsconstructies in het kwalitatieve aansprakelijkheidsrecht is volgens de wetgever het creëren van ‘duidelijkheid’ voor zowel benadeelden als (potentieel) aansprakelijken. Zij moeten hun rechtspositie (op voorhand) zo goed mogelijk kunnen inschatten met het oog op de opspoorbaarheid van de aansprakelijke persoon en de calculeerbaarheid/verzekerbaarheid van aansprakelijkheidsrisico’s. Wanneer het huidige landschap van kanaliseringsconstructies binnen afd. 6.3.2 en 6.3.3 BW wordt overzien, lijken deze regelingen het beeld van aansprakelijkheid echter eerder te vertroebelen dan te verscherpen. Er is sprake van een fijnmazig, vaak niet gemakkelijk te doorgronden systeem waardoor (op voorhand) juist bepaald niet duidelijk is wie wel en niet voor een bepaalde schade kwalitatief aansprakelijk is.3 Ook het argument van het voorkomen van dubbele verzekeringslasten komt gelet op het huidige systeem niet overtuigend voor. In de wetsgeschiedenis is weliswaar aangegeven dat ter zake van hetzelfde door afd. 6.3.2 en 6.3.3 BW bestreken schadefeit steeds zoveel mogelijk maar één persoon aansprakelijk behoort te zijn en zich desgewenst moet verzekeren, maar deze ‘centraliseringsgedachte’ is bepaald niet tot in het uiterste doorgevoerd. Bezien we art. 6:181, dan had daartoe náást de werking van deze bepaling de werking van de onrechtmatige daad, contractuele aansprakelijkheid en ook andere kwalitatieve aansprakelijkheden4 uitgeschakeld moeten worden, alsook de mogelijkheid van regres door de ex art. 6:173, 174, 179 jo. 181 aansprakelijke.5 Alle ‘samenloopmogelijkheden’ die ondanks de regeling van art. 6:181 nog bestaan, relativeren sterk het argument dat hiermee is beoogd dubbele verzekeringslasten te voorkomen. Degene die binnen het systeem van art. 6:173, 174 en 179 jo. 181 weliswaar niet (meer) met een kwalitatieve aansprakelijkheid is belast, kan tegenover de benadeelde heel wel nog aansprakelijk zijn – en dus behoefte hebben aan een verzekering – op een andere grondslag ofwel (deels) draagplichtig zijn in geval van een regresactie door degene die jegens de benadeelde wél ex art. 6:173, 174, 179 jo. 181 kwalitatief aansprakelijk is.
De essentie van de diverse kanaliseringsconstructies van afd. 6.3.2 en 6.3.3 BW, waarvan art. 6:181 als gezegd een voornaam voorbeeld vormt, betreft mijns inziens dan ook niet zozeer het vergemakkelijken van de opspoorbaarheid van de aansprakelijke persoon of het voorkomen van dubbele verzekeringslasten. Waar het veeleer om lijkt te gaan, is het telkens willen leggen van de kwalitatieve aansprakelijkheid bij degene die de grootste mate van ‘verantwoordelijkheid’ draagt voor het door de zaak aanrichten van de ontstane schade. Een verantwoordelijkheid die berust op een (veronderstelde) zorgplicht voor de zaak, of scherper: op zeggenschap over de aan de zaak verbonden risico’s. Hierachter gaan andere (praktische en economische) argumenten zoals ‘duidelijkheid’, opspoorbaarheid en het voorkomen van dubbele verzekeringslasten als ondersteunend schuil. In hoofdstuk 7 wordt deze gedachte nader uitgewerkt.