Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/3.4.5
3.4.5 Antichresis tacita
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264539:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Bartolus, Super secunda digesti veteris, ad D. 20,1,11,1; Bartolus, In secundam digesti infortiati, ad D. 36,4,5,21; Bartolus, In primam codicis partem, ad C. 4,24,2.
Negusantius, De pignoribus et hypothecis, nr. 3.1.30.
Negusantius, De pignoribus et hypothecis, nr. 7.3.7.
Negusantius, De pignoribus et hypothecis, nr. 5.5.1-5.5.7.
Negusantius, De pignoribus et hypothecis, nr. 5.5.10-.5.5.15.
Accursius, Glossa Ordinaria, Digestum Vetus, p. 1413-1414 (ad D. 13,7,39); Accursius, Glossa Ordinaria, Digestum Novum, p. 1112-1113 (ad D. 46,1,59).
Accursius, Glossa Ordinaria, Codex Justinianus, p. 893-894 (ad C. 4,24,2-4,24,3).
Accursius, Glossa Ordinaria, Codex Justinianus, p. 893-984 (ad C. 4,24,2-4,24,3).
Donellus, De Pignoribus et hypothecis, nr. 9.1. Zie voorts §3.2.2.
Donellus, Commentariorum in Codicem Justiniani II, p. 15-16 (ad C. 4,24) en p. 19-22 (ad C. 4,24,1-4,24,3).
Donellus, De Pignoribus et hypothecis, nr. 11.6.
Accursius, Glossa Ordinaria, Digestum Vetus, p. 1907-1908 (ad D. 20,2,8).
Accursius, Glossa Ordinaria, Digestum Vetus, p. 1907-1908 (ad D. 20,2,8); Bartolus, Super secunda digesti veteris, ad D. 20,2,8.
Als partijen geen afspraken hadden gemaakt over de functie van het recht van pandgebruik, gold als hoofdregel dat sprake was van een aflossingspandgebruik. De rentefunctie vormde hierop een uitzondering. Dit was de algemeen aanvaarde opvatting in het ius commune.
Volgens Bartolus verminderden de vruchten van het onderpand de gesecureerde vordering. Zij kwamen eerst in mindering op de rente, vervolgens op de hoofdsom.1 Negusantius schreef dat de waarde van de vruchten van het onderpand toekwam aan de pandgever.2 Dit bracht mee dat de pandgebruiker verplicht was de waarde van de vruchten in mindering te brengen op de gesecureerde vordering. De pandgever kon dit afdwingen met de actio pigneraticia directa, zelfs als partijen geen daartoe strekkende afspraak hadden gemaakt.3 De hoofdregel was volgens Negusantius dat de vruchten van het onderpand in mindering kwamen op de gesecureerde vordering.4 De rentefunctie van het recht van pandgebruik gold als een uitzondering op deze regel.5 Accursius6, Baldus7 en Cuiacius8 hadden dezelfde opvatting. Volgens hen had een recht van pandgebruik een aflossingsfunctie als hierover geen afspraken waren gemaakt. De aflossingsfunctie werd bij twijfel geacht te zijn overeengekomen. Volgens Donellus bracht de aard van het pandrecht mee dat de pandhouder stilzwijgend bevoegd en verplicht was tot pandgebruik.9 De economische waarde die de pandgebruiker hiermee genereerde kwam echter toe aan de pandgever. Dit betekende dat de pandgebruiker de gebruiksopbrengst in mindering diende te brengen op de gesecureerde vordering.10 Het rentepandgebruik vormde hierop een uitzondering.11
Volgens Cuiacius kon het echter voorkomen dat het recht van pandgebruik stilzwijgend een rentefunctie kreeg.12 Dit deed zich niet voor indien een pandrecht was gevestigd voor een rentedragende lening, of een pandrecht was gevestigd voor een lening waarvan partijen uitdrukkelijk overeengekomen waren dat zij rentevrij was. In beide gevallen ontstond een aflossingspandgebruik. Er ontstond echter stilzwijgend een recht van rentepandgebruik in de volgende situatie. Partijen waren een geldlening overeengekomen. Over deze geldlening waren zij niet uitdrukkelijk rente overeengekomen, maar zij hadden ook niet tot uitdrukking gebracht dat de lening rentevrij was. In dit geval meende Cuiacius dat als partijen tot zekerheid van deze geldlening een recht van pandgebruik hadden gevestigd, zij kennelijk beoogden een recht van rentepandgebruik tot stand te brengen. Anderen, waaronder Bartolus, vonden de opvatting die Cuiacius later verdedigde te ver gaan. Zij was erg bezwaarlijk voor de schuldenaar en leek in strijd met het recht.13 De overige auteurs die ik in deze paragraaf heb aangehaald verdedigden de opvatting van Cuiacius evenmin.