Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/3.4.2
3.4.2 Rentefunctie
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264484:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Heirbaut 2000, p. 194-195.
Accursius, Glossa Ordinaria, Digestum Vetus, p. 1411-1412 (ad D. 13,7,33); Accursius, Glossa Ordinaria, Codex Justinianus, p. 905 (ad C. 4,26,6) en p. 958-961 (ad C. 4,32,14 en C. 4,32,17); Donellus, Commentariorum in Titulos Digestorum I, nr. 1417-1418 (ad D. 22,1); Donellus, De Pignoribus et hypothecis, nr. 11.6; Donellus, Commentariorum in Codicem Justiniani II, p. 429-432 (ad C. 4,32,17); Godding 1987, p. 368. Anders: Bartolus, Super secunda digesti veteris, ad D. 13,7,33 en D. 20,1,11,1.
Accursius, Glossa Ordinaria, Digestum Vetus, p. 1411-1412 (ad D. 13,7,33) en p. 1885-1886 (ad D. 20,1,1,3); Accursius, Glossa Ordinaria, Codex Justinianus, p. 905 (ad C. 4,26,6) en p. 958-961 (ad C. 4,32,14 en C. 4,32,17); Negusantius, De pignoribus et hypothecis, nr. 5.5.10 en 5.5.14; Donellus, De Pignoribus et hypothecis, nr. 11.6; Heusler 1886, p. 140-143; Génestal 1901, p. 2; Landwehr 1967, p. 329; Cerutti/Van den Bergh 1972, p. 346; Godding 1987, p. 365; Ligthart 2014, p. 56-57.
Zie voorts Cerutti/Van den Bergh 1972, p. 373-379; Godding 1987, p. 365-373.
Sloet 1872-1876, p. 688-689. Eigen vertaling. proventibus vero et fructibus omnibus ipsius castri […] in sortem non computandis.
Génestal 1901, p. 48-55; Planitz 1982, p. 4; Brühwiler 1984a, p. 685; Brühwiler 1984b, p. 1120-1121; Godding 1987, p. 365 en 367-368; Heirbaut 2000, p. 194, voetnoot 401.
Heusler 1886, p. 140-141; Génestal 1901, p. 48-55 en p. 70-72; Landwehr 1967, p. 327-330 en p. 371-379 en p. 382-385; Cerutti/Van den Bergh 1972, p. 346; Planitz 1982, p. 4, p. 36-37 en p. 52-54; Heirbaut 2000, p. 194-196; Ligthart 2014, p. 56-57.
Cerutti/Van den Bergh 1972, p. 346.
Van Werveke 1929, p. 81 en 88-89; Planitz 1982, p. 51 en p. 58-60.
Heirbaut 2000, p. 198.
De Groot, Inleydinge, nr. 3.14.13-3.14.17; De Blécourt 1939, p. 288-289; Zwalve 2014, p. 9-19; Van Oostrom-Streep 2015; Druwé 2018, p. 322.
De Groot, Inleydinge, nr. 3.14.13-3.14.17; Druwé 2018, p. 322. Vgl. art. 7A:1807 BW. De Groot omschreef de rentekoop als “om geld koopen een inschuld om jaerlicksch zeecker geld te ontvangen”: De Groot, Inleydinge, nr. 3.14.13.
De rentefunctie was de meest voorkomende functie van het recht van pandgebruik.1 Het recht van pandgebruik met rentefunctie stond onder het ius commune bekend als antichresis.2 Zij kwam tot stand als partijen in de pandovereenkomst een beding opnamen dat de vruchtopbrengst van het onderpand toekwam aan de pandgebruiker en niet in mindering kwam op de gesecureerde vordering.3 Een voorbeeld4 hiervan is de akte waarin Rooms-Koning Willem een pandrecht vestigde op de stad Nijmegen ten gunste van de hertog van Gelre:
“Wij staan toe dat de vruchten die voortkomen uit deze burcht zelf […] niet met de hoofdsom moeten worden verrekend.”5
Het rentepandgebruik kwam vaak voor in combinatie met een beding dat de gesecureerde vordering niet-opeisbaar maakte. Juridisch was dan sprake van een pandrecht, feitelijk was het pandrecht omgevormd tot een zelfstandige antichrese.6 De bedoeling van dit beding was tweeledig. Enerzijds voorkwam het beding dat de bloot-eigendom door executie definitief uit het vermogen van de pandgever zou verdwijnen. Anderzijds zorgde het beding ervoor dat de pandgebruiker het onderpand zo lang mogelijk kon genieten. Als een gesecureerde vordering immers opeisbaar kon worden, vormde dit voor de pandgever een prikkel om het onderpand te lossen om executie te voorkomen. De niet-opeisbaarheid van de gesecureerde vordering nam deze prikkel weg. Dit betekende dat de pandgever minder snel geneigd zou zijn tot aflossing over te gaan: hij kon zijn liquiditeit beter besteden aan urgentere zaken. De pandgebruiker kon vermoedelijk langer zijn rechten op het onderpand uitoefenen, zodat zijn verstrekte lening beter rendeerde.7
Het uitlenen van geld tegen rentepandgebruik was voor schuldeisers een lucratieve investering.8 De jaarlijkse vruchtopbrengst van het onderpand lag gemiddeld tussen de 7% en 15% van de waarde van de gesecureerde vordering.9
Vanaf de dertiende eeuw verminderde de gangbaarheid van het recht van rentepandgebruik als middel om rentedragend geld uit te lenen. Sindsdien kregen de grondrente en de rentekoop de voorkeur.10 Grondrente was een beperkt recht dat rustte op een onroerende zaak dat aan de begunstigde van de rente, de renteheffer, het recht gaf op een jaarlijkse uitkering. De renteheffer kon dit recht uitoefenen tegen de eigenaar van de bezwaarde onroerende zaak. Bij vestiging van de rente ontving de (toenmalige) eigenaar een geldsom ineens van de begunstigde. Grondrente was afkoopbaar tegen de som die de renteheffer ineens aan de toenmalige eigenaar had uitgekeerd.11 Rentekoop was een overeenkomst waarbij de koper optrad als financier. De koper betaalde aan de schuldenaar een som ineens. De verkoper diende vervolgens jaarlijks rente aan de verkoper te betalen. De rentekoper kocht dus het recht op de jaarlijkse betaling van rente.12