Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/3.4.4
3.4.4 Rentepandgebruik en rentemaxima
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264426:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Accursius, Glossa Ordinaria, Codex Justinianus, p. 966 (ad C. 4,32,26,1); Donellus, Commentariorum in Codicem Justiniani II, p. 465-470 (ad C. 4,32,26,1).
Donellus, Commentariorum in Titulos Digestorum I, nr. 1417-1418 (ad D. 22,1); Donellus, De Pignoribus et hypothecis, nr. 11.6; Donellus, Commentariorum in Codicem Justiniani II, p. 405-408 (ad C. 4,32,14) en p. 429-432 (ad C. 4,32,17).
Accursius, Glossa Ordinaria, Codex Justinianus, p. 958-961 (ad C. 4,32,14 en C. 4,32,17); Donellus, Commentariorum in Codicem Justiniani II, p. 405-408 (ad C. 4,32,14) en p. 429-432 (ad C. 4,32,17).
Accursius, Glossa Ordinaria, Codex Justinianus, p. 960-961 (ad C. 4,32,17); Donellus, Commentariorum in Codicem Justiniani II, p. 429-432 (ad C. 4,32,17).
Accursius, Glossa Ordinaria, Codex Justinianus, p. 958-959 (ad C. 4,32,14); Donellus, Commentariorum in Codicem Justiniani II, p. 405-408 (ad C. 4,32,14).
Zie hierover ook Heirbaut 2000, p. 195; Druwé 2017, p. 258-269; Druwé 2018, p. 202-321.
Haazen 2005, p. 145-153; Becker 2013, p. 22-23.
Corpus Iuris Canonici, Decretalen van Gregorius IX, 5,19,1-5,19,2; Heirbaut 2000, p. 195.
Negusantius, De pignoribus et hypothecis, nr. 5.5.10-5.5.15; Génestal 1901, p. 79; Cerutti/Van den Bergh 1972, p. 348; Becker 2013, p. 22-23.
Heirbaut 2000, p. 195.
Accursius, Glossa Ordinaria, Codex Justinianus, p. 958-961 (ad C. 4,32,14 en C. 4,32,17); Donellus, De Pignoribus et hypothecis, nr. 11.6.
Negusantius, De pignoribus et hypothecis, nr. 5.5.10-5.5.15. Zie over afstand van recht ook: Génestal 1901, p. 81.
Génestal 1901, p. 84; De Blécourt 1939, p. 365; Godding 1987, p. 366-373.
Heirbaut 2000, p. 197-198.
In het ius commune golden de Romeinsrechtelijke rentemaxima. De nadruk lag op het rentepercentage van 12% per jaar, de centesima.1 Bij het recht van pandgebruik met rentefunctie kwam de vruchtopbrengst van het onderpand in plaats van rente over de gesecureerde vordering. Dit betekende dat de gemeenrechtelijke rentemaxima naar analogie van toepassing waren op het rentepandgebruik. De verhouding tussen de vruchtopbrengst en de gesecureerde vordering mocht niet groter zijn dan het maximale rentepercentage.2 Als de pandgebruiker toch meer vruchten had getrokken dan het maximale rentepercentage, handelde hij ongeoorloofd door de waarde van de vruchten onder zich te houden. Hij diende daarom het verschil in mindering te brengen op de gesecureerde vordering.3 De uitzonderingen hierop waren dezelfde als in het Romeinse recht.
Ten eerste was een overschrijding van het maximale rentepercentage geoorloofd als de vruchtopbrengst van het onderpand naar zijn aard fluctueerde. Hiervoor gold het voorbeeld van C. 4,32,17 (Philippus): het recht van pandgebruik op een akker. Deze uitzondering ging echter alleen op als de vruchtopbrengst van het onderpand nu eens lager was dan het rentemaximum en dan weer hoger. Als de vruchtopbrengst structureel hoger was dan het rentemaximum, kon de pandgebruiker zich niet op de uitzondering beroepen en moest hij het meerdere in mindering brengen op de gesecureerde vordering.4
Ten tweede was een overschrijding van het maximale rentepercentage geoorloofd als de gebruiksopbrengst niet in geld kon worden uitgedrukt. Hiervoor gold het voorbeeld van het recht van pandgebruik op een woning, zoals naar voren kwam in C. 4,32,14 (Alexander Severus). Stel dat de potentiële huurprijs van de woning hoger lag dan het maximale rentepercentage, mocht de pandgebruiker de woning dan bewonen zonder iets in mindering te brengen op de gesecureerde vordering? Het antwoord hierop was positief, tenzij de potentiële huurprijs tweemaal het maximale rentepercentage bedroeg. Stel dus dat de pandgebruiker maximaal 100 dukaten aan rente mocht vorderen, dan handelde hij ongeoorloofd als hij een verpande woning bewoonde waarvan de redelijke huurprijs 200 dukaten bedroeg.5
In het Canonieke recht gold een algeheel renteverbod.6 Op een schending van dit verbod stonden straffen als uitsluiting van de communie, de weigering van een kerkelijke begrafenis of zelfs excommunicatie. Geestelijken konden voorts uit hun ambt worden gezet.7 In de middeleeuwen was het rentepandgebruik een populair instrument om dit renteverbod te ontgaan. In 1163 breidde Paus Alexander III het renteverbod uit naar het recht van pandgebruik met rentefunctie.8 Sindsdien was het rentepandgebruik naar canoniek recht dus verboden. Een rentepandgebruik werd van rechtswege omgezet naar een aflossingspandgebruik.9 In weerwil van andersluidende afspraken diende de vruchtopbrengst van het onderpand dus altijd in mindering te komen op de gesecureerde vordering.
Op dit verbod op een recht van pandgebruik met rentefunctie golden overigens enkele uitzonderingen. Zo was de vestiging van een rentepandgebruik naar Canoniek recht nog wel mogelijk tot zekerheid van (vordering tot) een bruidsschat. Voorts konden kerken een recht van rentepandgebruik krijgen op leenrechten die zij zelf hadden gevestigd, mits zij de leenman vrijstelden van verplichtingen jegens de leenheer.10
Het canonieke renteverbod deed volgens Donellus en de glosse aan de geldigheid van het rentepandgebruik naar ius commune niet af.11 Negusantius leek een andere opvatting te verdedigen. Hij omschreef het rentepandgebruik als een uitzondering op de regel dat de vruchtopbrengst in mindering diende te komen op de gesecureerde vordering. Het canonieke renteverbod kon het rentepandgebruik echter ongeldig maken. Dit had tussen partijen echter geen effect als de schuldenaar afstand had gedaan van een beroep op het canonieke renteverbod.12 Wat hiervan ook zij, in het bijzonder leken trokken zich in de praktijk weinig aan van het canoniekrechtelijke verbod op het rentepandgebruik. 13 Wel zijn er enkele gevallen bekend waarin de pandhouder het onderpand moest teruggeven aan de pandgever. Kennelijk had de pandgever succesvol een beroep gedaan op het verbod op het rentepandgebruik.14