Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/3.4.3
3.4.3 Aflossingsverbod
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264401:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Génestal 1901, p. 40-41 en 70-71; Van Werveke 1929, p. 83-84; Cerutti/Van den Bergh 1972, p. 346 en 373-378; Planitz 1982, p. 52 en p. 121-122; Brühwiler 1984a, p. 686; Godding 1987, p. 365; Heirbaut 2000, p. 195; Ligthart 2014, p. 59. Zie ook over de losbaarheid van renten: Druwé 2017, p. 262-265; Druwé 2018, p. 353-387.
Génestal 1901, p. 40-41; Van Werveke 1929, p. 83-84; Cerutti/Van den Bergh 1972, p. 346 en 373-378; Planitz 1982, p. 54-55; Ligthart 2014, p. 59.
Heusler 1886, p. 142; Cerutti/Van den Bergh 1972, p. 346; Planitz 1982, p. 122. Vgl. Génestal 1901, p. 66-67.
Accursius, Glossa Ordinaria, Digestum Novum, p. 1017 (ad D. 45,1,122); Negusantius, De pignoribus et hypothecis, nr. 4.1.30.
Druwé 2018, p. 365-366; zie voorts §4.4.4.
Negusantius, De pignoribus et hypothecis, nr. 4.1.32.
Een ander beding dat bewerkstelligde dat de pandgebruiker zo lang mogelijk kon voortgaan met de exploitatie van het onderpand, was het aflossingsverbod. Dit beding verbood de pandgever het onderpand te lossen binnen een bepaalde termijn na de vestiging van het pandrecht.1
Na het verstrijken van deze termijn stond het aflossingsverbod de lossing door de pandgever slechts toe op een bepaald moment in het jaar. Dit diende om gedurende een jaar gedane investeringen van de pandgebruiker te beschermen. Het beste voorbeeld hiervoor is het recht van pandgebruik op een akker. De pandgebruiker investeerde een heel jaar in het onderhoud van een akker. Deze investering rendeerde pas als de pandgebruiker de vruchten van de akker had geoogst. Lossing van het onderpand mocht dan alleen plaatsvinden op een moment dat lag tussen de oogst en het opnieuw ploegen en inzaaien van de akker. Als de pandgever het onderpand op enig ander moment zou lossen, had de pandgebruiker investeringen gedaan die niet aan hem ten goede kwamen, maar aan de pandgever. Na lossing ging het recht op vruchttrekking immers weer terug naar de pandgever. Als de pandgebruiker de akker dan al voor de nieuwe oogst had bewerkt, kon de pandgever oogsten wat de pandgebruiker gezaaid had.2 Een ander beding dat de losbaarheid van het onderpand belemmerde, was het verbod om te lossen met geleend geld.3
Volgens Accursius en Negusantius was een aflossingsverbod beperkt toegestaan. Een aflossingsverbod met de duur van een jaar was volgens hen geoorloofd. Een eeuwigdurend aflossingsverbod was niet geldig, omdat dit neerkwam op de vervreemding van het onderpand aan de pandgebruiker. Dit was niet verenigbaar met de aard van het pandrecht. Dat dit beding neerkwam op vervreemding van het onderpand, bracht bovendien mee dat zij in strijd kwam met het verbod op een lex commissoria.4 Aan de ongeoorloofdheid van een eeuwigdurend aflossingsverbod lag vermoedelijk ook ten grondslag dat zo’n verbod gold als woeker.5 Een aflossingsverbod met de duur van dertig jaar was volgens Negusantius eveneens verboden, omdat dit volgens hem gelijk stond aan een eeuwigdurend aflossingsverbod.6