25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid
Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/13.3.2:13.3.2 De rechtsbescherming wint
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/13.3.2
13.3.2 De rechtsbescherming wint
Documentgegevens:
prof. mr. R. Schlössels, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
prof. mr. R. Schlössels
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Peters werpt, overigens met het oog op een brede competentie van de bestuursrechter, de vraag op naar de verhouding tussen deelaspecten van een geïntegreerd verzoek. Hij geeft tevens het antwoord door erop te wijzen dat de toetsing van verschillende (rechts)handelingen meer ‘dynamisch’ kan worden benaderd dan in een stelsel met versnipperde rechtsmacht. Peters 2018, p. 40.
Een bekende suggestie. Vgl. ook Van Ommeren & Huisman 2013, p. 89 met verdere verwijzingen in voetnoot 248.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De eerste winst van procedurele integratie betreft de bevoegdheid van de rechter. Er wordt afscheid genomen van het fundamentum petendi. In het huidige systeem is de inhoudelijke aard van een geschil bepalend voor de bevoegdheid van de bestuursrechter. Bij geleidelijke verruiming zal dit zo blijven. Of men de bevoegdheid van de bestuursrechter nu koppelt aan het besluitbegrip, aan de veel ruimere bestuursrechtelijke rechtsbetrekking of aan het subjectum litis (is er sprake van een geschil met het bestuur of bestuursorgaan?), steeds wordt de rechterlijke competentie belast met inhoudelijke vragen over de aard van het publiekrecht. Wanneer is een rechtshandeling publiekrechtelijk van aard? Wanneer is er sprake van openbaar gezag of van een publieke taak? De energie die hierin gaat zitten kan een stelsel van rechtsbescherming beter benutten.
In een geïntegreerd systeem wordt volstaan met de objectum litis-benadering die nu al bepalend is voor de bevoegdheid van de burgerlijke rechter. Een vordering die verband houdt met een gestelde rechtsschending of met een schuldvordering voldoet. De vordering is vervolgens ontvankelijk bij voldoende procesbelang. Eenvoudiger kan niet.
Een tweede winstpunt betreft de geïntegreerde behandeling van (bestuursrechtelijke) geschillen. Een laagdrempelig verzoekschrift leidt de procedure in. Hierin geeft de rechtzoekende aan met welk handelen of nalaten van de wederpartij (bestuursorgaan, overheidsrechtspersoon) hij problemen heeft en waarom. Tevens geeft hij aan wat hij van de rechter verwacht. Bij voldoende procesbelang neemt de rechter het verzoekschrift inhoudelijk in behandeling en beoordeelt of er reden is om (een deel van) het geschil te behandelen aan de hand van bijzonder procesrecht. Dat het geschil ongeacht de aard van het handelen (besluit of niet, soort besluit etc.) behandeld kan worden staat op voorhand vast. En dat is winst. Samenhangende geschillen hoeven niet langer over twee rechters te worden verdeeld. Er is immers eenheid van competentie en procedure.
De vraag of de wederpartij (van de burger) wel of niet tot het bestuur behoort blijft gelet op de normering vanzelfsprekend van belang. Maar de rechter krijgt meer manoeuvreerruimte in de ‘grijze gebieden’; een derde winstpunt. Vaak is duidelijk wanneer een verzoek ziet op een ‘hardcore’ bestuursrechtelijk geschil met een bestuursorgaan. Dit doet zich voor bij geschillen over ‘echte’ besluiten. In andere geschillen – of dat nu met het bestuur is, met een private uitvoeringsorganisatie of met een overheidsrechtspersoon – wordt in beginsel algemeen procesrecht toegepast. De rechter kan hier procedurele accenten leggen met het oog op de inhoudelijke aard van het geschil. Te denken valt aan accenten die de ambtshalve rechterlijke activiteit (bijvoorbeeld waarheidsvinding) en het bewijsrecht raken. Het betreft hier echter geen zwart-wit materie die is gekoppeld aan een starre competentievraag. Maatwerk en flexibiliteit brengen hier winst voor bestuur en burger. Vanzelfsprekend zal een nieuw stelsel aanvaardbare griffierechten moeten hanteren.
Ten slotte kan één geïntegreerd procesrecht met één type rechter een positieve invloed hebben op ingewikkelde leerstukken als formele en oneigenlijke formele rechtskracht. Dit behoeft geen betoog. Deze leerstukken bewaken nu vooral de taakverdeling tussen de burgerlijke rechter en de bestuursrechter. Als er sprake is van één procedure die voor dezelfde rechterlijke instantie wordt gevoerd blijft rechtszekerheid een belangrijk gegeven, maar er ontstaat per saldo meer flexibiliteit.1 Zo is goed denkbaar dat een besluit formele rechtskracht krijgt in die zin dat het niet meer kan worden vernietigd, maar dat een verzoek dat uitsluitend ziet op het verkrijgen van schadevergoeding in verband met dat besluit toch inhoudelijk door de rechter kan worden behandeld zonder star uit te gaan van de objectieve rechtmatigheid (in de zin van geldigheid) van het besluit.2