Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/17.3.3.6:17.3.3.6 Vrije keuze, weging en waardering van bewijsmiddelen
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/17.3.3.6
17.3.3.6 Vrije keuze, weging en waardering van bewijsmiddelen
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940667:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit de waarborgen van art. 6 EVRM vloeit voort dat de rechter een opgelegde boete volledig moet kunnen toetsen. Daarbij gaat het zowel om het bewijs van het begaan van het beboetbare feit als om de strafmaat.
De rechter moet op grond van art. 6 EVRM de vrijheid hebben om zich aan de hand van de door hem geselecteerde bewijsmiddelen een eigen oordeel te vormen over de feiten en het recht (full jurisdiction). Dat betekent dat de rechter de bevoegdheid moet hebben om de opgelegde boete in alle feitelijke en juridische opzichten te vernietigen. Verder moet de boeteling de grondslag voor het bewijsoordeel ter discussie kunnen stellen. Alle aanwezige (tegen)bewijsmiddelen moeten in beeld zijn geweest. De rechter mag dus niet bepaalde bewijsmiddelen op voorhand geheel buiten beschouwing laten. De uiteindelijke keuze, weging en waardering die op basis van het totale palet aan bewijsmiddelen plaatsvindt, staat de rechter evenwel geheel vrij. De rechter kan dus besluiten om zijn bewijsoordeel alleen op bepaalde bewijsmiddelen te baseren. De aanvullende waarborgen van art. 6 EVRM brengen verder mee dat de rechter in boetezaken extra voorzichtig moet zijn, bijvoorbeeld wanneer hij overweegt om een bewijsaanbod van de boeteling te passeren.
Het Nederlandse stelsel voldoet, naar algemeen wordt aangenomen, aan de eisen die art. 6 EVRM op dit punt stelt. Ten aanzien van het bewijs van de centrale stellingen past de Nederlandse rechter een volle toetsing toe, daartoe uitdrukkelijk verplicht door de Hoge Raad: de rechter moet op grond van zijn eigen keuze, weging en waardering van de bewijsmiddelen de overtuiging verkrijgen dat het beboetbare feit inderdaad is gepleegd. Om te voldoen aan de eisen van art. 6 EVRM zal de rechter echter wel steeds zelfstandig moeten nagaan of er voldoende bewijs aanwezig is.
Voor wat betreft de centrale stellingen kan de boeteling het belastende bewijs ter discussie stellen en tegenbewijs leveren. Voor wat betreft de perifere stellingen heeft de boeteling de reële mogelijkheid om stellingen die boeteverlagend kunnen zijn, ter beoordeling aan de rechter voor te leggen. Daarmee heeft de Nederlandse belastingrechter inderdaad ‘full jurisdiction’.
De naar nationaal recht geldende vrije bewijsleer is op het punt van de keuze, weging en waardering goed in lijn met art. 6 EVRM. De Nederlandse feitenrechter bepaalt ook in boetezaken zelfstandig op welke bewijsmiddelen hij zijn oordeel baseert, en welke bewijskracht hij daar aan toekent. Hij dient zelfstandig te beoordelen welke feiten als vaststaand kunnen worden aangenomen. De rechter die over de fiscale bestuurlijke boete oordeelt, is daarbij niet gebonden aan beslissingen van andere rechters, ook niet als die rechter over hetzelfde feitencomplex heeft geoordeeld en ook niet als het gaat om de vraag of een bepaald bewijsmiddel in strafrechtelijke zin onrechtmatig is verkregen. De Hoge Raad heeft evenwel terecht gewaarschuwd dat de boeterechter met zijn eigen, zelfstandige oordeel niet in strijd mag komen met de onschuldpresumptie. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren als hij ten nadele van de boeteling afwijkt van een eerdere vrijspraak door de strafrechter.
Het criterium ‘full jurisdiction’ dat het EHRM hanteert, maakt geen duidelijk onderscheid tussen centrale stellingen, perifere stellingen en de strafmaat. Daaruit kan worden afgeleid dat de bevoegdheid van de rechter zich over alle mogelijke geschilpunten moet uitstrekken, waaronder de strafmaat. Het EHRM vereist inderdaad dat de rechter ook zijn eigen oordeel moet kunnen vellen over de vraag of de hoogte van de boete proportioneel is. De volle toetsing die art. 6 EVRM vereist, geldt dus ook voor de strafmaat. De rechter moet zijn eigen oordeel kunnen vellen over de hoogte van de boete, waarbij het evenredigheidsbeginsel de relevante toetssteen is. De Nederlandse belastingrechter beoordeelt zodra de hoogte van de boete ter discussie staat inderdaad eigenstandig of hij de boete ‘passend en geboden’ acht, hetgeen hij als een zuiver rechterlijke taak opvat. Bovendien is de rechter, wanneer hij een opgelegde bestuurlijke boete vernietigt, wettelijk verplicht om zelf in de zaak te voorzien en aldus zelfstandig een beslissing omtrent de hoogte van de op te leggen boete te nemen. Bij deze eigen toetsing laat de rechter zich leiden door het evenredigheidsbeginsel en kunnen alle (persoonlijke) omstandigheden van het geval (ook ex nunc) meewegen. De voorschriften uit het BBBB gelden alleen voor de inspecteur en binden de rechter niet. In verband met het verbod op reformatio in peius moet de rechter de hoogte van de boete zoals de inspecteur die heeft opgelegd, als bovengrens erkennen, hetgeen uiteraard gunstig is voor de boeteling. Ook voor wat betreft de volle toetsing van de strafmaat is het Nederlandse boeterecht naar mijn mening daarom in lijn met de eisen die art. 6 EVRM op dat punt stelt.
De Nederlandse, volle rechterlijke toetsing betekent: ‘full jurisdiction’ ten aanzien van het bewijs van de centrale en perifere stellingen, een rechterlijk oordeel over de strafmaat en een zelfstandige afdoening bij afwijking van de ter toetsing voorgelegde boete. Deze volle rechterlijke toetsing voldoet ruimschoots aan de vereisten van art. 6 EVRM.