Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/I.3.4.8
I.3.4.8 Aanvulling op § 2064 BGB
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS623663:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hierover paragraaf 3.2.4 ‘Ontwerpen BGB’.
Zie ook subparagraaf 3.3.1 ‘Regelungsziele’. Zie hierover ook Zimmermann 1991, p. 35 e.v.; Halding-Hoppenheit 2003, p. 40 e.v.; p. 57 en p. 137-140; Hausmann/Hohloch 2010, p. 395. § 2064 BGB verlangt een door erflater hoogstpersoonlijk gemaakt Testament (resp. letztwillige Verfügung). Testamente kunnen onderscheiden worden in enerzijds Ordentliche Testamente, waartoe behoren het Öffentliches Testament in de zin van § 2232 BGB (het notarieel testament) en het Eigenhändiges Testament in de zin van § 2247 BGB (het onderhanse testament). En anderzijds Auβerordentliche Testamente, waartoe onder andere behoren Nottetestamente en Militärtestamente.
Zie over de betekenis van de vormvoorschriften Zimmermann 1991, p. 28 e.v. Tevens wordt door § 2064 BGB voorkomen dat erflaters wil voor vervalsing vatbaar is. Zie in dit kader ook Halding-Hoppenheit 2003, p. 139. Vgl. mijn opmerkingen over de vormvereisten in paragraaf 1.3.2.3 ‘Vormvoorschriften’.
Zimmermann 1991, p. 31-33 en 35-36; Halding-Hoppenheit 2003, p. 139.
Zimmermann 1991, p. 32.
Halding-Hoppenheit 2003, p. 139-140.
Zo ook Halding-Hoppenheit 2003, p. 138.
Naar het oordeel van de ontwerpers van het BGB vergde het beginsel van de formelle Höchstpersönlichkeit ook een Drittbestimmungsverbot, om zo omzeiling van het vertegenwoordigingsverbod bij het maken van de uiterste wil uit te sluiten.1 § 2065 BGB wordt hiermee gezien als notwendige Ergänzung op § 2064 BGB.2 Is dit terecht?
§ 2064 BGB behelst een vormvoorschrift, waarmee erflater wordt gedwongen tot een bewustwording van hetgeen hij erfrechtelijk wil.3Drittbestimmung doet aan deze bewustwording geen afbreuk.4 Want:
‘Die Formerfordernisse können nicht eine materiell verantwortungsvolle Entscheidung gewährleisten, sie können den Erblasser sich seiner Verantwortung nur bewuβt werden lassen. Entschlieβt sich dieser zu einer ‘verantwortungslosen’ Entscheidung, so ist dies sein freier Wille, der vom Recht auch sonst allenthalben respektiert und keiner Gerechtigkeits- oder Billigkeitskontrolle unterworfen wird (curs. NB).’5
En:
‘Durch die persönliche Errichtung wird erreicht, dass eine eigene Entscheidung des Erblassers vorliegt, für die er selbst die Verantwortung trägt. Besagt diese höchstpersönliche Willensentscheidung nun, dass ein Dritter den Erben bestimmen soll, so ist dies ebenfalls eine eigene Entscheidung des Erblassers. Die Forderung nach einer persönlichen Testamentserrichtung zwingt nicht dazu, diese Willensentscheidung für unzulässig zu erklären. Er ist der Wille des Erblassers und er wurde von ihm niedergelegt (curs. NB).’6
Oftewel, § 2064 BGB verlangt enkel dat erflater zijn Testament hoogstpersoonlijk maakt. En waarom zou een hoogstpersoonlijk gemaakt Testament dan niet ook hoogstpersoonlijk gemaakte delegatiebevoegdheden kunnen bevatten? § 2065 II BGB zien als noodzakelijke aanvulling op § 2064 BGB is sowieso niet te rijmen met de wettelijke uitzonderingen op het Drittbestimmungsverbot. Wie § 2065 II BGB in het leven roept vanwege vrees voor het omzeilen van de vormvoorschriften van § 2064 BGB dient consequent te zijn en kan vanuit dit oogpunt geen uitzonderingen op § 2065 II BGB dulden.7