Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/VI.5.5
VI.5.5 Bemiddeling bij conflicten
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242851:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
HR 9 juli 2010, NJ 2010, 544 m.nt. Van Schilfgaarde; JOR 2010/228 m.nt. Van Ginneken (ASMI).
Zie in deze zin ook HR 9 juli 2010, NJ 2010, 544; JOR 2010/228 (ASMI).
Evenzo Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/340; en Olden & Raaijmakers, Ondernemingsrecht 2016/5.
Onder anderen Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/340; Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 52.2, p. 1184; Kemperink, MvO 2019, afl. 10-11, p. 336; Olden & Raaijmakers, Ondernemingsrecht 2016/5; en Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood 2017, p. 281.
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/340. Zie art. 2:140/250 lid 2 BW. Zie voorts best practice bepaling 4.1.1 van de Code.
Hof Amsterdam (OK) 29 mei 2018, JOR 2017/261 m.nt. Bulten (AkzoNobel).
Zie over de neutraliteit van bestuurders en commissarissen in een two tier board Olden & Raaijmakers, Ondernemingsrecht 2016/5.
Art. 2:129a/239a lid 3 BW biedt daartoe de mogelijkheid. Zie hierover § V.7.2.
Zie § IV.3.4.1. Zoals ik in § IV.3.3 al schreef, zal de niet-uitvoerende bestuurder in de regel slechts op incidentele basis arbeid verrichten. Hij is derhalve minder financieel afhankelijk van de algemene vergadering dan een uitvoerend bestuurder. Vgl. Olden & Raaijmakers, Ondernemingsrecht 2016/5.
Zie § IV.4.2.
Vgl. Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/340; Kemperink, MvO 2019, afl. 10-11, p. 336; en Olden & Raaijmakers, Ondernemingsrecht 2016/5.
Uit best practice bepaling 4.1.1 van de Code volgt dat het toezicht zich ook uitstrekt over de verhouding van het bestuur met de aandeelhouders. Best practice bepaling 4.1.1 is volgens de toelichting op principe 5.1 van de Code eveneens van toepassing op het toezicht van de niet-uitvoerende bestuurders.
Vgl. Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/340; en Olden & Raaijmakers, Ondernemingsrecht 2016/5.
In ASMI oordeelde de Hoge Raad dat de raad van commissarissen niet verplicht is te bemiddelen bij geschillen tussen het bestuur en aandeelhouders.1 Dat de raad van commissarissen daartoe niet verplicht is, wil niet zeggen dat hij daartoe niet bevoegd is.2 Dit geldt naar mijn mening overigens niet alleen voor conflicten tussen het bestuur en aandeelhouders, maar bijvoorbeeld ook voor conflicten binnen het bestuur.3
In de literatuur wordt wel bepleit dat het oordeel van de Hoge Raad in ASMI genuanceerd moet worden.4 Zo menen Van Solinge en Nieuwe Weme dat de raad van commissarissen onder bijzondere omstandigheden moet ingrijpen in een conflict. Dit volgt volgens hen uit de wettelijke taakopdracht van de raad van commissarissen, te weten het houden van toezicht en het geven van advies.5
In de rechtspraak zijn aanknopingspunten voor deze opvatting te vinden. Ik wijs bijvoorbeeld op de AkzoNobel-beschikking van de Ondernemingskamer. Met betrekking tot het conflict tussen het bestuur en een aantal aandeelhouders overwoog de Ondernemingskamer dat het op de weg ligt van het bestuur en de raad van commissarissen zich te beraden op de wijze waarop AkzoNobel de verstandhouding met dit deel van haar aandeelhouders kan normaliseren.6
De vraag is of de niet-uitvoerende bestuurders verplicht moeten bemiddelen bij conflicten rondom de vennootschap. Gelet op de ASMI-beschikking, ben ik geneigd deze vraag negatief te beantwoorden. Wel zijn de niet-uitvoerende bestuurders gelijk aan de commissarissen bevoegd te bemiddelen. Ik vraag mij evenwel af of de nietuitvoerende bestuurders daartoe in staat zijn als het bestuur bij het conflict is betrokken. De niet-uitvoerende bestuurders zijn in dat geval niet volledig neutraal.7 Zij maken deel uit van het bestuur en hebben derhalve een eigen verantwoordelijkheid en rol in het conflict. De zaken liggen uiteraard anders indien het conflict betrekking heeft op de dagelijkse gang van zaken en de besluitvorming daaromtrent gemandateerd is aan een of meer uitvoerende bestuurders.8 Aangezien de niet-uitvoerende bestuurders in dat geval verder van het vuur zitten, komt de bemiddelende rol mijns inziens beter uit de verf.
Voor de volledigheid wijs ik erop dat de niet-uitvoerende bestuurders ook in dit laatste geval niet volledig neutraal zijn. Zeker niet wanneer het een conflict tussen het bestuur en een of meer aandeelhouders betreft. De niet-uitvoerende bestuurders zijn immers in zekere mate afhankelijk van de algemene vergadering. Zo bepaalt de algemene vergadering in de regel de bezoldiging van de niet-uitvoerende bestuurders.9 Bovendien is de algemene vergadering bevoegd tot schorsing en ontslag van de niet-uitvoerende bestuurders.10
Voorts meen ik dat ook de niet-uitvoerende bestuurders onder bijzondere omstandigheden behoren op te treden bij conflicten rondom de vennootschap. De grondslag voor deze plicht vind ik in de wettelijke taakopdracht van de niet-uitvoerende bestuurders.11
Op grond van art. 2:129a/239a lid 1 BW zijn de niet-uitvoerende bestuurders belast met het houden van toezicht op het bestuur.12 Onder omstandigheden kan het in het belang van de vennootschap zijn om in te grijpen in een vennootschappelijk conflict.13 Zoals ik in § VI.3.4 al schreef, behoren de niet-uitvoerende bestuurders hun toezicht te intensiveren als de continuïteit van de vennootschap in gevaar is. In dit kader kunnen zij bijvoorbeeld proberen te bemiddelen. Zijn de niet-uitvoerende bestuurders niet tevreden met het resultaat, dan dienen zij bij te sturen. Werpt ook het bijsturen niet de gewenste vruchten af, dan behoren de niet-uitvoerende bestuurders mijns inziens in te grijpen. Dit ingrijpen kan bijvoorbeeld bestaan uit het indienen van een enquêteverzoek en het vragen van onmiddellijke voorzieningen.14 Ik kom hier in § VII.3.2.5.c op terug.