Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/2.4.1
2.4.1 Wetboek van Strafvordering 1926
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946099:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld De Pinto 1886, p. 44-45. Zie ook de beschrijving van de kritiek in de inleidende overwegingen bij de MvT van het nieuwe Wetboek van Strafvordering: Kamerstukken II 1913-1914, 286, nr. 3, p. 51-52.
Lindenberg 2002, p. III-IV.
Dit volgt uit de toelichting bij het ontwerp uit 1900 dat als leidraad is gebruikt voor het latere Wetboek van Strafvordering. Zie Lindenberg 2002, p. 69.
Lindenberg 2002, p. 392.
Lindenberg 2002, p. 177-178.
Smidt & Smidt 1901 (Deel V), p. 293.
Lindenberg 2002, p. 463.
Lindenberg 2002, p. 463.
Lindenberg 2002, p. 381.
Lindenberg 2002, p. 432.
Kamerstukken II 1913-1914, 286 nr. 3, p. 103.
Kamerstukken II 1917-1918, 77, nr. 2, p. 84, Kamerstukken II 1917-1918, 77, nr. 3, p. 150 en Kamerstukken II 1919-1920, 18, nr. 3, p. 27-28.
Kamerstukken II 1919-1920, 18, nr. 12, p. 84-85.
Handelingen II 1919-1920, p. 2188; Handelingen I 1920-1921, p. 201-224 en Stb. 1921, 14.
Stb. 1925, 308.
In dit verband verdient allereerst de invoering van het Wetboek van Strafvordering in 1926 bespreking. Die invoering is ingegeven door de groeiende weerstand tegen het tot dan toe geldende Wetboek van Strafvordering dat stamde uit 1838. Veelgehoorde klachten waren dat de positie van de verdachte slecht was gewaarborgd en dat het wetboek evenmin voldeed met het oog op een krachtdadige bestrijding van criminaliteit.1 Dit leidde in het jaar 1910 tot de instelling van een Staatscommissie onder leiding van Ort, die de opdracht ontving een nieuw Wetboek van Strafvordering te ontwerpen. Daarbij werd een ontwerp dat Ort omstreeks 1900 als raadsadviseur bij het ministerie van justitie had opgesteld als uitgangspunt genomen.2 Dit leidde in 1926 tot de totstandkoming van het thans nog vigerende Wetboek van Strafvordering.
De hiervoor beschreven artikelen 13 tot en met 15 zijn in het ontwerp van Ort uit 1900 zonder belangwekkende wijzigingen overgenomen. De enige noemenswaardige wijziging betreft de intrekking van een klacht. Deze moest – anders dan voorheen – plaatshebben ten overstaan van de ambtenaar die de klacht heeft ontvangen of ten overstaan van de ambtenaar van het openbaar ministerie die verantwoordelijk was voor de vervolging van het feit waarop de klacht betrekking had. Hieraan lag de wens ten grondslag zoveel mogelijk te voorkomen dat vanuit het openbaar ministerie handelingen worden verricht, bijvoorbeeld in het kader van de voorlopige hechtenis, op een moment dat de klacht feitelijk alweer is ingetrokken.3
Die voorgestelde wijziging wordt door de Staatscommissie echter niet overgenomen. In de vergaderingen van de Staatscommissie wordt eenvoudigweg gewezen op het mogelijke gebruik van een telegraaf, waardoor binnen het openbaar ministerie snel kan worden gecommuniceerd dat de klacht is ingetrokken. Met het oog op deze technische ontwikkeling bestond geen behoefte aan de aanpassing die Ort omstreeks 1900 voor ogen had. Het drietal artikelen over de vorm van de klacht komt uiteindelijk in het ontwerp van de Staatscommissie vernummerd terecht als art. 167-169.4 Daarbij zijn art. 14 en 15 Sv zonder belangrijke inhoudelijke wijzigingen overgenomen in art. 168 en 169 Sv. Binnen de Staatscommissie bestond echter meer discussie over het oude art. 13 Sv dat is vernummerd tot art. 167.
Aanleiding voor die discussie was een zaak waarin het openbaar ministerie niet-ontvankelijk was verklaard, omdat uit de klacht niet het verlangen tot vervolging bleek. Die zaak leidde tot het voorstel van Staatscommissielid Van Hamel om in het artikel over de wijze van indiening van een klacht expliciet te verwoorden dat een klacht het verlangen tot vervolging moet inhouden. Van Hamel stelde voor dit te bewerkstellingen met een nieuw artikellid: ‘Uit de klacht moet blijken, dat de klager vervolging verlangt’. Commissielid Ledeboer bracht hier tegenin dat een omschrijving van het strafrechtelijke begrip “klacht” niet thuishoort in het Wetboek van Strafvordering. Ledeboer meende dat, indien de wens zou bestaan het begrip van de klacht nader te duiden, dit zou moeten plaatshebben in de betekenistitel van het Wetboek van Strafrecht. Of sprake is van een klacht is zijns inziens immers een materiële en geen formele vraag. Ort reageerde dat Van Hamels voorstel wel in het ontwerpwetboek zou kunnen worden betrokken, omdat het ontwerp dient te regelen ‘de wijze, waarop moet blijken, dat inderdaad een klacht is ingediend, den vorm, waarin de klacht zal zijn te gieten’. Ort kwam dan ook tot de conclusie dat ruimte bestond in het wetsontwerp te bepalen dat de vorm van klacht inhoudt dat altijd sprake moet zijn van een blijkgeven van een verlangen tot vervolging. Volgens Ledeboer werd op deze wijze simpelweg een materiële kwestie in een formeel kleed gehuld. Dit illustreert hij als volgt:
‘Indien inderdaad “aangifte” en “klacht” in wezen verschillen – n.l. hierdoor, dat de laatste is een aangifte benevens een verzoek tot vervolging – dan zal, waar zoodanig verzoek ontbreekt geen “klacht” aanwezig zijn. Werd desniettegenstaande toch het klachtdelict berecht, dan zou er c.q. quaestie zijn van schending der wet, doch niet van den vorm, ook bij aanvaarding van het voorstel van den heer Van Hamel.’5
Ledeboer stelt dus dat het regelen van de inhoud van een klacht in het Wetboek van Strafvordering niet eraan afdoet dat het ontbreken van de klacht raakt aan de (materiële) strafbaarheid en niet slechts een vormvereiste betreft waaraan niet is voldaan. Dit standpunt van Ledeboer strookt met de memorie van toelichting van het strafwetboek uit 1886 waarin staat
‘dat de rechter den eisch van klacht, tot dusver in het Wetboek van Strafvordering gesteld, toch dadelijk, overeenkomstig het stelsel van het nieuwe wetboek, niet als eene processueele bepaling maar als een voorschrift van materieel strafrecht te beschouwen heeft’.6
De weerstand van Ledeboer ten spijt, ging de Staatscommissie mee in het voorstel van Van Hamel en voegde bovenvermelde zinsnede voorlopig toe aan het wetsvoorstel. In het ontwerp van de Staatscommissie krijgt dit zijn beslag met de toevoeging: ‘De klachte bestaat in eene aangifte met verzoek tot vervolging.’ In de toelichting bij dit wetsontwerp is uitsluitend erop gewezen dat het openbaar ministerie (inmiddels meermaals) niet-ontvankelijk was verklaard, omdat uit de klacht het verlangen tot vervolging niet zou zijn gebleken.7
Daarnaast valt op dat de Staatscommissie heeft voorgesteld de strenge eisen omtrent de wijze van indienen van een klacht over te hevelen naar art. 166. Deze bepaling ziet op de wijze waarop een aangifte dient te worden ingediend, waarbij in art. 167 die vereisten van overeenkomstige toepassing zijn verklaard op het indienen van een klacht. Bij de wetswijziging in 1886 was daarentegen nadrukkelijk besloten meer stringente eisen te stellen aan de wijze waarop een klacht werd ingediend, dan aan de wijze waarop aangifte kon worden gedaan. De reden voor dit onderscheid was dat een klacht meer verstrekkende gevolgen kent nu dit de bevoegdheid tot vervolging raakt, waar dit bij een aangifte niet het geval is. De Staatscommissie zag kennelijk geen aanleiding dit onderscheid te laten voortbestaan. Althans, in de toelichting op het ontwerp van de Staatscommissie staat uitsluitend dat de gang van zaken bij het doen van aangifte nauwkeuriger is aangegeven dan voorheen het geval was8, waardoor goed mogelijk is dat de Staatscommissie het onderscheid tussen de wijze van het doen van klacht en aangifte niet heeft onderkend.
Een laatste vermeldenswaardig punt betreft het voorstel van de Staatscommissie om een nieuwe art. 2 Sv toe te voegen, waarin staat: ‘Strafvordering is, tenzij de wet anders bepaalt, onafhankelijk van eenige aangifte of klachte of van eenige burgerlijke vordering uit het strafbare feit voortvloeiende.’9 De Staatscommissie heeft dit artikel, mede met het oog op klachtdelicten, voorgesteld om ‘de publiekrechtelijke natuur van de strafvordering voorzooveel noodig nog duidelijker [te doen] uitkomen.’10 In het ORO is bovenvermelde zin in aangepaste vorm terechtgekomen. Specifiek de vermelding van de klacht is verdwenen. In de memorie van toelichting is hierover – onder verwijzing naar art. 167 – opgemerkt dat de klacht onder de aangifte is begrepen.11In het gewijzigd ontwerp wordt het bovenvermelde art. 2 vervolgens volledig geschrapt. Art. 1 – dat bepaalt dat strafvordering slechts plaatsheeft op de wijze bij de wet voorzien – werd van praktisch groot belang geacht, maar art. 2 werd een meer academisch karakter toegedicht. Het zou vanwege art. 1 ook overbodig zijn.12
De art. 167-169 ORO bevatten geen belangwekkende wijzigingen ten opzichte van het ontwerp van de Staatscommissie. De hierboven besproken toevoeging – dat de klacht bestaat uit een aangifte met daarin een verzoek tot vervolging – is in het ORO met dezelfde redengeving gehandhaafd.13 In het gewijzigd ontwerp en het nieuw gewijzigd ontwerp die in de daaropvolgende jaren volgen, blijven de bepalingen 167-169 behoudens een enkele redactionele wijziging inhoudelijk gelijk aan het ORO.14 De daaropvolgende amendementen leiden evenmin tot inhoudelijke wijzigingen, maar zorgen er slechts voor dat de bepalingen aangaande klachtdelicten uiteindelijk zijn vernummerd tot art. 164-166.15 Dit Wetboek van Strafvordering wordt op 11 mei 1920 met overgrote meerderheid aangenomen in de Tweede Kamer en nadien zonder hoofdelijke stemming aangenomen in de Eerste Kamer, waarna het in 1921 werd afgekondigd in het Staatsblad.16 Het trad vervolgens op 1 januari 1926 in werking.17