Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/3.4.4
3.4.4 Rechtsgevolgen overeenkomst
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS449769:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie nader paragraaf 7.3.
De artt. 6:253 e.v. BW inzake het derdenbeding zijn niet rechtstreeks van toepassing op het akkoord. Het kan overigens wel zo zijn dat naast een akkoord een derdenbeding wordt overeengekomen, om rechten vast te leggen van derden, zijnde niet direct betrokkenen bij een akkoord. Zie voor deze mogelijkheid paragraaf 4.4.1.
Zie paragraaf 7.3.
Ervan uitgaand dat nakoming door de schuldenaar niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is.
Ervan uitgaand dat de uitzonderingen van art. 6:83 BW zich niet voordoen.
Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-1* 2008, nr. 387.
Zie paragraaf 7.3.
In geval van art. 6:82 lid 2 BW bestaat de ingebrekestelling slechts uit een schriftelijke aansprakelijkstelling.
Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-1* 2008, nr. 397.
Art. 6:265 lid 1 BW.
HR 4 februari 2005, NJ 2005,362, nt. Van Schilfgaarde; JOR 2005/106, nt. A. van Hees (UPC/Movieco). Overigens is de Hoge Raad in het gemene recht evenmin gecharmeerd van het aanvaarden van meer algemene uitzonderingen op het recht van ontbinding. Zie onder meer: HR 24 november 1995, NJ 1996,160; HR 27 november 1998, NJ 1999,197 en HR 22 oktober 1999, NJ 2000, 208.
In hoofdstuk 6 zal uitgebreid worden stilgestaan bij de rechtsgevolgen van een gehomologeerd akkoord. In deze paragraaf wordt bekeken of artikelen uit de afdelingen 6.5.4 en 6.5.5 van het Burgerlijk Wetboek van aanvullende betekenis kunnen zijn op de regeling van het akkoord. Hiervoor is besproken dat in het systeem van de Faillissementswet niet langer tegen een akkoord kan worden opgekomen, indien een wilsgebrek pas ontdekt wordt nadat de beschikking van homologatie in kracht van gewijsde is gegaan. Zouden de artt. 6:248,6:258 en 6:260 BW in dat verband een corrigerende rol kunnen spelen? Hoewel de voornoemde artikelen met terughoudendheid dienen te worden toegepast, zou het inroepen van genoemde artikelen mogelijk moeten kunnen zijn in evident onredelijke situaties die uit een onaantastbaar akkoord zouden kunnen voortvloeien. Ook de redelijkheid en de billijkheid kunnen immers derogeren aan de rechtsregels van de Faillissementswet. Gezien de ratio van art. 144 Fw mag aangenomen worden dat een eventuele aan te brengen aanvulling, wijziging of beperking in een gehomologeerd akkoord, niet ten detrimente van de gezamenlijke concurrente schuldeisers mag gaan.
Bij art. 6:258 BW dient nog opgemerkt te worden dat deze bepaling in het kader van een akkoord slechts in beperkte zin kan worden toegepast. Ingevolge art. 6:258 BW kan de rechter op verlangen van een der partijen een overeenkomst wijzigen of ontbinden. De vraag is of de rechter op verzoek van een of meer schuldeisers een akkoord ex art. 6:258 BW kan ontbinden. Ik meen van niet. De Faillissementswet geeft in art. 165 lid 1 Fw met betrekking tot een gehomologeerd akkoord een eigen, specifieke ontbindingsregeling die aan art. 6:258 BW derogeert. In hoofdstuk 7 zal nader op de ontbindingsregeling van art. 165 lid 1 Fw worden ingegaan. Op deze plaats volsta ik met de opmerking dat in art. 165 lid 1 Fw slechts één grond wordt aangegeven, waarop een verzoek tot ontbinding van een gehomologeerd akkoord kan worden ingesteld. Alleen in geval van niet-nakoming van een akkoord door de schuldenaar, kan degene jegens wie de schuldenaar niet nakomt, ontbinding van het akkoord verzoeken. Een andere grond voor ontbinding is indertijd door de wetgever uitdrukkelijk van de hand gewezen. Een verzoek tot ontbinding ex art. 165 lid 1 Fw kan derhalve niet plaatsvinden, op de grond dat sprake is van onvoorziene omstandigheden in de zin van art. 6:258 BW. Het zou overigens wel wenselijk zijn indien de rechter die met een verzoek tot ontbinding van het akkoord wordt geconfronteerd, in zijn beslissing onvoorziene omstandigheden in de zin van art. 6:258 BW zou kunnen meewegen.1
De artikelen 6:251 tot en met 6:257 BW betreffen de rechtsgevolgen van overeenkomsten ten aanzien van derden. Uitgangspunt van het akkoord is dat het een overeenkomst betreft die in beginsel slechts werking heeft tussen de schuldenaar en zijn concurrente schuldeisers. Derden worden in beginsel niet door een akkoord getroffen en kunnen hieraan evenmin rechten ontlenen.2
Of afdeling 6.5.5 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing kan zijn op de regeling van het akkoord, hangt in beginsel af van de vraag of een akkoord kan worden gekwalificeerd als een wederkerige overeenkomst. Indien deze vraag positief kan worden beantwoord, zijn de artikelen uit afdeling 6.5.5 van het Burgerlijk Wetboek in beginsel rechtstreeks van toepassing op het akkoord met dien verstande dat de bepalingen uit de Faillissementswet kunnen derogeren. Ook hier geldt de beperking dat de artikelen uit afdeling 6.5.5 in overeenstemming dienen te zijn met aard, doel en strekking van het akkoord. Uit de voorgaande paragrafen is gebleken dat een akkoord een overeenkomst is, maar geen wederkerige in de zin van art. 6:261 BW. Het ruilkarakter dat typerend is voor een wederkerige overeenkomst, ontbreekt bij een akkoord.3 Daarnaast kan niet worden gezegd dat de schuldeisers jegens de schuldenaar een verbintenis op zich nemen. Een en ander betekent dat afdeling 6.5.5 van het Burgerlijk Wetboek niet rechtstreeks van toepassing kan zijn op de regeling van het akkoord. Afdeling 6.5.5 van het Burgerlijk Wetboek is evenmin via de schakelbepaling van art. 6:261 lid 2 BW van overeenkomstige toepassing op de regeling van het akkoord, nu het akkoord geen betrekking heeft op het wederzijds verrichten van prestaties. Hierna zal niettemin worden bezien of artikelen uit afdeling 6.5.5 van het Burgerlijk Wetboek een aanvullende rol kunnen vervullen bij niet-nakoming van het akkoord door de schuldenaar.
In het geval de schuldenaar het akkoord niet nakomt jegens een van zijn schuldeisers, kan deze laatste een vordering tot nakoming instellen ex art. 3:296 BW. Daarnaast kan de schuldeiser jegens wie de schuldenaar tekort schiet, ontbinding van het akkoord vorderen. Zoals hiervoor aangegeven, geeft de Faillissementswet ten aanzien van de ontbinding van een akkoord een eigen, specifieke voorziening in de artt. 165-172 Fw.4 Niettemin moet worden bekeken of de artikelen uit Boek 6 BW betreffende de ontbinding van aanvullende betekenis kunnen zijn. Op grond van art. 165 Fw kan elke schuldeiser ontbinding van een akkoord vorderen, indien de schuldenaar jegens hem in gebreke blijft. De vraag rijst vanaf welk moment een schuldeiser ontbinding van een akkoord kan vorderen. Dient de schuldenaar eerst in verzuim te zijn zoals is voorgeschreven in art. 6:265 lid 2 BW? De Faillissementswet laat zich hierover niet uit. Volgens de algemene regels van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek zou een schuldeiser pas ontbinding van het akkoord kunnen verzoeken, indien de schuldenaar in verzuim is in de zin van art. 6:81 BW.5 Voordat sprake is van verzuim van de schuldenaar dient hij door de schuldeiser in gebreke te zijn gesteld ex art. 6:82 BW jo. 6:81 BW.6 De schuldenaar dient door de schuldeiser schriftelijk te worden aangemaand, waarbij de schuldenaar de mogelijkheid wordt geboden alsnog binnen een redelijke termijn zijn akkoordverplichting na te komen. Het verzuim treedt in, indien de schuldenaar niet binnen de gestelde termijn aan zijn verplichting jegens de schuldeiser heeft voldaan. Zijn de verzuimregels van toepassing bij een verzoek tot ontbinding van een akkoord? De ratio van de verzuimregeling is om de schuldenaar een laatste kans te geven zijn verplichting na te komen.7 De wetgever heeft een eenmaal gehomologeerd akkoord zo onaantastbaar mogelijk willen maken. Om die reden kan een gehomologeerd akkoord niet worden aangetast, behoudens in het geval van niet-nakoming door de schuldenaar. De gevolgen van een ontbinding ex art. 165 lid 1 Fw zijn echter fors, zodat het verzoek tot ontbinding pas kan worden toegewezen, indien vast is komen te staan dat de schuldenaar het akkoord niet nakomt.8 Vanwege de ingrijpende consequenties van een ontbinding op de voet van art. 165 lid 1 Fw, zou het wenselijk zijn om de verzuimregeling van art. 6:82 BW van overeenkomstige toepassing te laten zijn bij niet-nakoming van het akkoord door de schuldenaar. Dit zou betekenen dat een verzoek tot ontbinding van een akkoord eerst mogelijk is, indien de schuldenaar conform art. 6:82 BW in gebreke is gesteld en niet binnen de gestelde termijn aan zijn akkoordverplichting jegens de schuldeiser heeft voldaan. Het verzuim van de schuldenaar zou overigens van rechtswege kunnen intreden op grond van art. 6:83 sub a en c BW.9 Daarnaast zou de toepasselijkheid van art. 6:82 BW opzij kunnen worden gezet door de redelijkheid en billijkheid.10
In het gemene recht kan de overeenkomst slechts worden ontbonden, indien de tekortkoming de ontbinding rechtvaardigt.11 In hoofdstuk 7 zal bij de ontbinding van het akkoord uitvoerig worden stilgestaan. Ik volsta hier met de opmerking dat het antwoord op de vraag of de rechter bij de beoordeling van een verzoek tot ontbinding van een akkoord, de rechtvaardiging van art. 6:265 lid 1 BW zal betrekken, niet duidelijk is. Het arrest van de Hoge Raad van 2005 lijkt evenwel op het tegendeel te wijzen.12 Een door de rechter toegewezen verzoek tot ontbinding van een akkoord heeft net zoals een ontbinding ex art. 6:265 lid 1 BW geen terugwerkende kracht.13 Bij een ontbinding in het kader van art. 6:265 lid 1 BW ontstaan voor partijen ongedaanmakings verplichtingen met betrekking tot de door hen reeds ontvangen prestaties (art. 6:271 BW). Bij ontbinding van een akkoord ontstaan geen ongedaanmakingsverplichtingen, maar kunnen schuldeisers hetgeen zij reeds op grond van het akkoord hebben ontvangen, behouden.14
De ontbinding van een akkoord heeft in de Faillissementswet een eigen regeling, waardoor afdeling 5 van titel 6.5 zich op een enkele bepaling na, niet leent voor overeenkomstige toepassing. Tot slot de vraag of een schuldeiser wiens verzoek tot ontbinding van het akkoord wordt gehonoreerd, schadevergoeding kan vorderen van de schuldenaar op grond van art. 6:277 BW. Dit lijkt mij in theorie niet ondenkbaar. Door het uitspreken van de ontbinding wordt het akkoord in zijn geheel ontbonden en het faillissement van de schuldenaar heropend. De schuldeiser zou zijn vordering tot schadevergoeding in beginsel kunnen indienen bij de curator. Het voorgaande brengt met zich dat in beginsel iedere schuldeiser die aan het ontbonden akkoord was gebonden, een vordering tot schadevergoeding zou kunnen indienen in het heropende faillissement.
Slot
Het akkoord is een overeenkomst van geheel eigen aard. Op deze overeenkomst zijn in beginsel de bijzondere, specifieke regels uit de Faillissementswet van toepassing. Een aantal artikelen uit de boeken 3 en 6 van het Burgerlijk Wetboek kan - zij het beperkt - rechtstreeks dan wel analogisch van toepassing zijn op het akkoord. Zoals hiervoor is opgemerkt, is toepassing van de algemene regels alleen mogelijk, indien zij recht doen aan aard, doel en strekking van het akkoord. Aard, doel en strekking van het akkoord zijn niet alleen van belang bij de vraag naar het rechtskarakter van het akkoord en de mogelijke toepassing van de boeken 3 en 6 van het Burgerlijk Wetboek, zij zijn eveneens van belang bij de vraag wat de inhoud van een akkoord kan en mag zijn. In het volgende hoofdstuk zal daarop nader worden ingegaan.