Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/8.4.3.2
8.4.3.2 Pulopties
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS458986:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 61.
Zie tevens het antwoord van de staatssecretaris van Financiën op vragen van de CDA-fractie in de Tweede Kamer, welke fractie meende dat sprake was van overkill. Nota naar aanleiding van het verslag Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 7, blz. 65.
Nu de optiepremie alleen bij uitoefening/aanwijzing in de aanmerkelijkbelangheffing wordt betrokken, dreigt volgens J.C.M. van Sonderen de aanmerkelijkbelangheffing te worden uitgehold. Een putoptiehouder wordt immers gestimuleerd om zijn putoptie uit te oefenen, want dit verlaagt zijn vervreemdingswinst. Een putoptieschrijver daarentegen wordt gestimuleerd om zijn positie door een sluitingsaankoop te sluiten, want dit voorkomt dat hij aandelen verkrijgt met een lage verkrijgingsprijs, J.C.M. van Sonderen, Aandelenopties in het (voorgestelde) aanmerke-lijk-belangregime, MBB september 1996, blz. 282.
Nader rapport Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. B, blz. 21 alsmede de memorie van toelichting Tweede kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 61. Zie voorts de nota naar aanleiding van het verslag Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 7, blz. 65-66.
Ingevolge art. 20c, twaalfde lid, eerste volzin, Wet IB wordt de optiepremie in geval van het schrijven van een putoptie aangemerkt als kosten ter zake van de vervreemding die in mindering komt op de overdrachtsprijs op het moment waarop het optierecht wordt uitgeoefend.1 De betaalde vergoeding is voor de aandeelhouder/optiehouder dus niet aftrekbaar op het moment van betaling van de optiepremie. Wordt de putoptie uitgeoefend, dan komt de vergoeding bij degene aan wie de aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen worden vervreemd, ingevolge art. 20c, twaalfde lid, tweede volzin, Wet IB in mindering op de verkrijgingsprijs van de verworven aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen. De ander/optieverlener wordt dus tevens niet belast voor de optievergoeding op het moment waarop deze wordt ontvangen.2 Aangezien de eigenaar van de aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen tevens de optiehouder is, behoort de putoptie ingevolge art. 20a, vierde lid, Wet IB eveneens tot het aanmerkelijk belang. Hierbij is irrelevant of de putoptie recht geeft om (on)middellijk tot een omvang van ten minste 5% van het geplaatste aandelenkapitaal van de vennootschap aandelen daarin te verwerven of niet. De ander/optieverlener wordt niet eerder in de aanmerkelijkbelangheffing betrokken, dan nadat de optiehouder de putoptie heeft uitgeoefend.
Wordt de putoptie niet uitgeoefend, dan is de eigenaar van de aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen aanmerkelijkbelanghouder gebleven en is de ander nimmer aanmerkelijkbelanghouder geworden. Alsdan is de voor de putoptie voldane optievergoeding bij de optiehouder niet aftrekbaar en bij de ander onbelast; de optiepremie blijft dan volledig buiten de belastingheffing.3
Deze uitwerking wordt in de memorie van toelichting verdedigd vanuit de gedachte dat een andere uitwerking constructies in familieverband in de hand zou kunnen werken. Door het vestigen van langlopende putopties zou de aanmerkelijkbelanghouder aanzienlijke geldbedragen aan zijn kinderen kunnen doen toekomen zonder dat een reëel voornemen bestaat om de vennootschap daadwerkelijk over te dragen aan zijn kinderen. Zou de door de aanmerkelijkbelanghouder betaalde optiepremie als kosten in aanmerking worden genomen, dan zou de aanmerkelijkbelanghouder de grondslag van de aanmerkelijkbelangheffing min of meer naar willekeur kunnen verlagen.4
Men ziet dat het effect van deze regeling is dat waardestijgingen van de aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen bij de eigenaar van de aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen, tevens optiehouder, in de aanmerkelijkbelangheffing worden betrokken, terwijl waardedalingen van de aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen ten laste komen van de ander/optieverlener.