Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/8.2.2.1
8.2.2.1 Betekenis van art. 6 EVRM voor het boeterechtelijke bewijsrecht
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940417:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Er bestaat ook binnen de boezem van het EHRM wel enig debat over deze kwestie (het EHRM was bijvoorbeeld in het dikwijls aangehaalde standaardarrest Ferrazzini zeker niet unaniem in zijn oordeel: 11 tegen 6), maar de uitgezette lijn lijkt vooralsnog constant, zie Pauwels 2012.
EHRM 9 december 1994 (Schouten en Meldrum), nr. 48/93, BNB 1995/113, FED 1995/380, EHRM 12 juli 2001 (Ferrazzini), nr. 44759/98, BNB 2005/222, V-N 2001/44.5 en EHRM 23 juli 2002 (Västberga Taxi), nr. 36985/97, BNB 2003/2, V-N 2003/9.8. Er is evenmin sprake van de ‘determination of civil rights and obligations’, aangezien bij de belastingheffing het publiekrechtelijke karakter overheerst.
HR 25 juni 1997, BNB 1997/277 en (onder verwijzing naar het EHRM-arrest Ferrazzini): HR 4 maart 2011, BNB 2011/126. De Hoge Raad bevestigde deze leer in zijn arresten omtrent de vergoeding van immateriële schade bij overschrijding van de redelijke termijn in belastinggeschillen, opnieuw onder verwijzing naar Ferrazzini (HR 10 juni 2011, V-N 2011/31.5, BNB 2011/233, FED 2011/63, NTFR 2011/1367 en HR 10 juni 2011, V-N 2011/31.6, BNB 2011/234, FED 2011/64, NTFR 2011/1368, r.o. 3.3.1-3.3.2). Zie nadien ook nog HR 13 november 2015, V-N 2015/59.6, BNB 2016/42, r.o. 3.2.4.
Dat geldt ook voor aansprakelijkstellingen, voor zover die een fiscale bestuurlijke boete betreffen, zie HR 25 juni 1997, BNB 1997/275 en Hof ’s-Hertogenbosch 19 mei 2017, r.o. 4.15 (kenbaar uit HR 6 juli 2018, V-N 2018/38.31).
Zie EHRM 25 maart 1999 (Pélissier en Sassi/Frankrijk), nr. 25444/94, Reports of Judgments and Decisions 1999-II, par. 45, en de aldaar aangehaalde EHRM-jurisprudentie.
Noot bij HR 15 april 2011, BNB 2011/206, punt 7.
Zie daarover nader paragraaf 7.3.7.3.1 onder 'Het EU-rechtelijke verdedigingsbeginsel (Sopropé, Kamino en Datema)’.
Zie HvJ EU 2 februari 2021 (DB), nr. C-481/19, V-N 2021/9.18, r.o. 37.
HvJ EU 2 februari 2021 (DB), nr. C-481/19, V-N 2021/9.18, r.o. 36.
HvJ EU 2 februari 2021 (DB), nr. C-481/19, V-N 2021/9.18, r.o. 37.
In beginsel, omdat het EU-recht op deelterreinen (zoals het douanerecht) eigen regels kent, die dan voorgaan op het nationale recht (of dat nationale recht overbodig maken). Zie daarover nader de Aantekening van de Redactie Vakstudie-Nieuws bij HvJ EU 17 januari 2019, nr. C-310/16, V-N 2019/7.15.
Zie HvJ EU 17 januari 2019, nr. C-310/16, V-N 2019/7.15, r.o. 24 en HvJ EU 17 december 2015 (WebMindLicences Kft.), nr. C-419/14, V-N 2016/6.14, r.o. 65. Zie ook HvJ EU 23 oktober 2014 (Unitrading Ltd.), nr. C-437/13, BNB 2015/26.
De toepasselijkheid van art. 6 EVRM is de belangrijkste oorzaak van de verschillen in bewijsrecht tussen de sfeer van de heffing en de sfeer van de boete. Volgens vaste1 jurisprudentie van het EHRM is er in zuivere belastingzaken (waar alleen de heffing aan de orde is), namelijk geen sprake van een ‘criminal charge’.2 Ook de Hoge Raad heeft in lijn daarmee herhaaldelijk bevestigd dat belastinggeschillen buiten het bereik van art. 6 EVRM vallen.3 Zoals in paragraaf 3.5 is uiteengezet, vallen de Nederlandse fiscale bestuurlijke boetes wél onder de werkingssfeer van art. 6 EVRM (omdat het ‘criminal charges’ zijn) en kan die bepaling ook rechtstreeks worden ingeroepen ten overstaan van de nationale rechter.4
Art. 6 EVRM bevat echter geen integrale verzameling uitgeschreven bewijsregels. Sterker nog: het EHRM neemt nadrukkelijk als uitgangspunt dat bewijsrecht een aangelegenheid van nationaal recht is. Het wordt daarom aan de gerechtelijke instanties van de verdragsstaten overgelaten om het bewijs zoals dat aan hen wordt gepresenteerd, te beoordelen en eventuele consequenties te verbinden aan bijvoorbeeld schendingen van nationaal bewijsrecht. De rol van het EHRM bij de beoordeling van bewijskwesties beperkt zich tot een algemene toets aan de achterliggende, overkoepelende rechtsnorm van de ‘fair trial’ zoals die aan art. 6 EVRM ten grondslag ligt.5 De betekenis van de uit art. 6 EVRM voortvloeiende rechtsregels voor het bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken kan ondanks die beperkte rol nauwelijks worden overschat. Op vrijwel alle deelgebieden van het bewijsrecht zijn de waarborgen van art. 6 EVRM in wezen allesbepalend. Albert merkte in bredere zin al eens op: ‘Opmerkelijk is dat een belastingplichtige aan wie de Belastingdienst een boete wil opleggen, zijn rechtsbescherming niet zozeer aan de nationale wet ontleent als wel aan het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.’6 In de navolgende hoofdstukken zal ik onderbouwen waarom hij daarmee naar mijn mening ook voor wat betreft het boeterechtelijke bewijsrecht de spijker op zijn kop sloeg.
De EU is als zodanig geen verdragsstaat die het EVRM heeft ondertekend en geratificeerd. De grondrechten uit het EVRM maken in de hoedanigheid van algemene beginselen echter wel deel uit van het Unierecht.7 Uit het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie8 volgt dat de grondrechten uit dat Handvest, als die tevens in het EVRM zijn gewaarborgd, voor wat betreft hun inhoud en reikwijdte ten minste overeenkomstig het EVRM moeten worden uitgelegd.9 Artikel 47 (tweede alinea) van het Handvest correspondeert met art. 6 lid 1 EVRM en artikel 48 van het Handvest met artikel 6 lid 2 en lid 3 EVRM.10 De betekenis van art. 6 EVRM (en de jurisprudentie van het EHRM daarover) is daarom ook in EU-rechtelijke context groot. Hoewel de autonomie van het Unierecht (en de uitleg daarvan door het HvJ EU) overeind blijft, komt het erop neer dat de interpretatie van de grondrechten volgens het EVRM leidend is.11 De Unierechtelijke uitleg kan alleen ruimer zijn.12 Afgezien daarvan kan het EU-recht ook zelfstandig invloed hebben op het bewijsrecht. Het uitgangspunt is daarbij (in beginsel13) hetzelfde als het uitgangspunt bij de toepassing van het EVRM: het bewijsrecht is in eerste instantie een aangelegenheid van de Lidstaten, die er evenwel voor moeten zorgen dat hun nationale regels in overeenstemming zijn met het EU-recht.14