Einde inhoudsopgave
Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (FM nr. 168) 2021/2.4.2
2.4.2 Bij de uitvoering van de belastingwet ingeschakelde deskundige derden
Dr. B.M. van der Sar, datum 05-05-2021
- Datum
05-05-2021
- Auteur
Dr. B.M. van der Sar
- JCDI
JCDI:ADS285597:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Informatieverplichting
Invordering / Inlichtingenverplichting
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Voetnoten
Voetnoten
Handelingen II 1891/92, blz. 1326.
Waaronder begrepen het college van zetters (art. 19, par. 3, Wet op de BB 1893).
MvA, Kamerstukken II 1892/93, 71, nr. 6, blz. 85. Vergelijk: Antwoord op de nota der commissie van rapporteurs, Kamerstukken II 1892/93, 71, nr. 13, blz. 8.
Art. 94 Ontwerp van wet (Wet IB 1908), Kamerstukken II 1906/07, 98, nr. 2.
Art. 113, tweede lid, Ontwerp van wet (Wet IB 1908), Kamerstukken II 1906/07, 98, nr. 2. Het wetsvoorstel werd ingetrokken bij brief Minister van Financiën van 10 maart 1908, Kamerstukken II 1907/08, 22, nr. 22.
Art. 27 en art. 29 Ontwerp van wet (heffing van een debietrecht op tabak), Kamerstukken II 1910/11, 217, nr. 2. Het wetsvoorstel werd ingetrokken bij brief Minister van Financiën van 17 september 1913, Kamerstukken II 1913/14, 16, nr. 16.
MvT, Kamerstukken II 1910/11, 217, nr. 3, blz. 10.
Op grond art. 15 Wet Raden van beroep voor de directe belastingen die tegelijkertijd met de Wet IB 1914 werd ingevoerd. De eed of belofte voor deze deskundigen was eveneens opgenomen in dit artikel. Zie ook: MvT (Wet op de Inkomstenbelasting 1914), Kamerstukken II 1911/12, nr. 144, nr. 3, blz. 22. Vergelijk: Schendstok 1932, blz. 176.
In 1918 werd in art. 102 Wet IB 1914 de ‘deskundige’ aangepast naar ‘niet ambtelijke deskundige’ (NNvW, Kamerstukken II 1916/17, 29, nr. 1 en Wet van 11 januari 1918, tot wijziging der Wet op de Inkomstenbelasting 1914, Kamerstukken II 1916/17, 29, Stb. 1918, 5). Anders: in zijn commentaar op het Ontwerp van wet AWR stelt Scheltens dat de toevoeging in art. 102 Wet IB 1914 over de niet-ambtelijke deskundige min of meer overbodig was (J.P. Scheltens, Het Ontwerp van een Algemene Wet inzake Rijksbelastingen, Maandblad voor Belastingrecht 1955/1956, nr. 1 t/m 6, blz. 74).
Zie: Appendix A. De aanvulling van ‘deskundige’ naar ‘niet-ambtelijke deskundige’ komt – zonder nadere toelichting – voor het eerst voor in de NvW (Wet op de DT 1917), Kamerstukken II 1916/17, 28, nr. 1. De deskundigenbepaling ontbreekt in de art. 94 SW 1859 (na de wijzigingswet van 1917), art. 17 Registratiewet 1917, art. 58 Tabakswet 1921 en art. 9 Wet VFN. Niet is onderzocht of dit het gevolg is van een bewuste keuze of het feit dat voor deze wetten geen deskundigen werden ingeschakeld. De niet-ambtelijke deskundige ontbrak eveneens in art. 50 Ontwerp van wet BDH 1916 (ingetrokken), maar kwam wel weer voor in art. 17 Wet BDH 1934.
Onder de Wet VB 1892 – en later ook onder de Wet op de BB 1893 – hadden de Raden van beroep de mogelijkheid om zich te laten voorlichten door deskundigen.1 Bij de parlementaire behandeling van de Wet VB 1892 werd opgemerkt dat sprake was van een lacune aangezien aan deskundigen geen geheimhouding was opgelegd.2 Minister Pierson vond het echter niet nodig bijzondere maatregelen te nemen omdat het de bedoeling was:3 “(…) de deskundigen zoo min mogelijk bekend te maken met de vermogenstoestanden en hen zoo min mogelijk in de geheimen in te wijden”. Onder de Wet op de BB 1893 konden aan de commissie van aanslag adviseurs worden toegevoegd.4 Zij behoefden geen eed of belofte van geheimhouding af te leggen omdat zij slechts inlichtingen zouden verstrekken en niet zouden ontvangen.5 Het (ingetrokken) wetsvoorstel IB 1908 hinkt op twee gedachten; ingeschakelde deskundigen zouden voor de Raad van beroep voor de directe belastingen een eed of gelofte moeten afleggen waarin een geheimhoudingsplicht was opgenomen, tenzij zij werden geraadpleegd over de verkoop- of huurwaarde van onroerende zaken of wanneer slechts algemene inlichtingen zouden worden gevraagd.6 De geheimhoudingsbepaling zou echter – ongeacht de eed of belofte – op alle deskundigen van toepassing zijn.7
Het (ingetrokken) wetsvoorstel tot heffing van een debietrecht op tabak gaat een stap verder. Ingeschakelde deskundigen zouden voor de Raad van beroep altijd een eed of gelofte moeten afleggen en vielen eveneens rechtstreeks onder de geheimhoudingsbepaling.8 Blijkens de memorie van toelichting zou inmenging van deskundigen “(…) als van zelf mede de noodzakelijkheid [meebrengen, VDS] om hun den eed op te leggen, niet alleen van getrouwe plichtsbetrachting, maar ook van geheimhouding”.9 Ook onder de Wet IB 1914 hadden de Raden van beroep voor de directe belastingen de mogelijkheid zich te laten voorlichten door deskundigen.10 Anders dan onder de Wet VB 1892 en de Wet op de BB 1893 werd – in lijn met het (ingetrokken) wetsvoorstel IB 1908 – in art. 102, tweede lid, Wet IB 1914 expliciet opgenomen dat de geheimhouding ook gold voor deskundigen die in verband met de uitvoering van de wet werden geraadpleegd of met enige werkzaamheid werden belast.11 In het overgrote deel van de onderzochte geheimhoudingsbepalingen vanaf 1914 is de geheimhoudingsbepaling voor deze niet-ambtelijke deskundige terug te vinden.12 Zonder deze specifieke toevoeging zouden deskundige derden niet als onderworpen subject kunnen worden aangemerkt.