Einde inhoudsopgave
De beursvennootschap, corporate governance en strategie (IVOR nr. 120) 2020/6.1.6
6.1.6 De houdbaarheid en beëindiging van bescherming
mr. S.B. Garcia Nelen, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. S.B. Garcia Nelen
- JCDI
JCDI:ADS232676:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2003/04, 29 449, nr. 1, p. 15. Zie in dezelfde zin: Kamerstukken II 1997/98, 25 732, nr. 3 (MvT), p. 4.
Zie hierover uitgebreid paragraaf 5.4.1 van dit proefschrift.
Zie ook meer uitgebreid over bescherming: De Brauw, Ondernemingsrecht 2019/94, par. 3.2.
Dit wetsvoorstel voorzag onder andere in nieuwe artikelen 2:359b-c BW, waarin werd bepaald dat degene die voor ten minste een jaar 70% of meer van het geplaatste kapitaal van een open NV verschaft, de Ondernemingskamer kan verzoeken over te gaan tot de volgende maatregelen: royering van certificaten van aandelen, intrekking van bepaalde aandelen (zoals preferente aandelen), opheffing van het structuurregime en wijziging van statuten zodat tot benoeming, schorsing, ontslag en bezoldiging van bestuurders en commissarissen bij volstrekte meerderheid van de stemmen in de AV kan worden besloten. Zie Kamerstukken II 1997/98, 25 732, nr. 2 (voorstel van wet) en Kamerstukken II 2005/06, 25 732, nr. 23 (intrekking). Zie ook: Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/569.
HR 18 april 2003, NJ 2003/286, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2003/110, m.nt. J.M. Blanco Fernández (RNA), r.o. 3.7. Zie ook Garcia Nelen, Ondernemingsrecht 2018/12, par. 7.
Rb Amsterdam 29 mei 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:CA1411 (Yukos), r.o. 7.9.
In dezelfde zin: De Brauw, Ondernemingsrecht 2019/94, par. 3.2.
Zie: Stevens 2008, par. 5.6.2 en G.T.M.J. Raaijmakers, ‘De tijdelijkheid van beschermingsmaatregelen’ in: A. F. Verdam e.a. (red.), Met Recht, liber amicorum Prof. mr. M.J.G.C. Raaijmakers. Deventer: Kluwer 2009, p. 361-369 en De Brauw 2017, par. 4.7, met verwijzing naar overige vindplaatsen in de literatuur, onder meer Van Ginneken 2010, par. 10.2.2. Zie anders: Steins Bisschop 2008, p. 19; G.N.H. Kemperink, Vennootschappelijk toezicht op de doelvennootschap bij openbare biedingen (diss. Rotterdam) (Instituut voor Ondernemingsrecht nr. 92), Deventer: Kluwer 2013, par. 4.3.7; Hezer & Kemp, WPNR 2019/7223, par. 4.2.
Zie o.a. De Brauw 2017, par. 12.4.6.5.1 voor een uitgebreide argumentatie.
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/556.
Zie par. 16 van de annotatie van Nowak bij Rb. Den Haag (vzr.) 17 maart 2015, JOR 2015/135 (Boskalis/Fugro) en Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/556.
Rb. Den Haag (pres.) 19 februari 1982, NJ 1983/522, r.o. 3b.
Zie paragraaf 6.2.2 van dit proefschrift.
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/556. Zie over artikel 2:359b BW ook Garcia Nelen 2019, Sdu Commentaar Ondernemingsrecht, 2 BW, art. 2:359b.
Van Olffen 2008, par. 17.3.5.
Zie hierover paragraaf 5.4.1 van dit proefschrift.
Van Olffen 2008, par. 17.2. De heersende leer is dat een dergelijke regeling geoorloofd is, zie Nieuwe Weme, Ondernemingsrecht 2019/51, par. 4 en Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/10. Zij menen zelf overigens dat een statutair initiatiefrecht strijdig is met het agenderingsrecht. Zie over deze materie uitgebreid paragraaf 6.2.3 van dit proefschrift.
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/556 en De Brauw, Ondernemingsrecht 2019/94, par. 8. Zie voor de stichting continuïteit ook Timmermans, Ondernemingsrecht 2012/121, par. 3.
Zie anders: Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/556, die menen dat het afbreken van een beschermingsconstructie in algemene zin “veelal een strategiewijziging tot gevolg [zal] hebben”. Het inroepen van de responstijd wil echter nog niet zeggen dat deze door aandeelhouders ook gerespecteerd moet worden, zie paragraaf 6.2.4 van dit proefschrift.
Vaak wordt de vraag gesteld hoe lang beschermingsconstructies kunnen standhouden. In het kader van beschermingsconstructies wordt wel gesproken over het ‘tijdelijkheidscriterium’.1 Dit vloeit kennelijk voort uit de gedachte dat het zich in de praktijk niet goed laat indenken dat de visie van een meerderheid van de aandeelhouders consequent en langdurig wordt genegeerd.2 Zoals beschreven in paragraaf 5.4.1, meen ik dat die gedachte naar huidig recht niet absoluut gevolgd kan worden.3 Het Wetsvoorstel doorbreking beschermingsconstructies uit 1997 dat die gedachte zou codificeren is in 2006 gesneuveld.4 Er zijn mijns inziens zeker gevallen denkbaar waarbij het bestuur de AV langdurig kan negeren, met name wanneer de aandeelhouders willen aansturen op een strategische route die niet in het belang van de NV en haar onderneming is. Het bekende voorbeeld is dat er een financieel aantrekkelijk openbaar bod op de onderneming is gedaan door een asset stripper. De Yukos-uitspraak van de rechtbank Amsterdam uit 2013 wijkt op dit punt ook af van de RNA-beschikking, in die zin dat de rechtbank niet herhaalt dat als uitgangspunt dient te gelden dat het gedurende een onbepaalde tijd handhaven van een beschermingsmaatregel in het algemeen niet gerechtvaardigd zal zijn (en zelfs die passage in de RNA-beschikking kan overigens moeilijk worden geïnterpreteerd als een strikt tijdelijkheidsvereiste).5 De rechtbank overwoog dat naarmate de tijd verstrijkt steeds opnieuw moet worden beoordeeld of de dreiging voortduurt en of de beschermingsmaatregelen in stand dienen te blijven.6 Dat lijkt mij een terechte verduidelijking: het uitgangspunt is niet zozeer dat een beschermingsmaatregel tijdelijk is, maar dat deze in stand blijft zolang de dreiging voortduurt.7 Die dreiging zal veelal tijdelijk zijn, en daarmee de bescherming dus ook, maar dat hoeft niet. Daarnaast is het voorstelbaar dat het niet in het vennootschapsbelang is om de beschermingswal in stand te houden wanneer de overname eenmaal heeft plaatsgevonden, zelfs als de dreiging nog steeds bestaat. Een dusdanige halsstarrigheid kan in bepaalde gevallen leiden tot ineffectieve besluitvorming en de onderneming schade toebrengen. Over het algemeen zal de beschermingsconstructie in stand moeten blijven zo lang dat nodig is om de belangen van de vennootschap, haar onderneming en alle stakeholders te beschermen, mits steeds voldaan wordt aan de RNA-norm.8
Overigens vloeit bij uitgifte van preferente aandelen een bepaalde tijdelijkheid op dit moment voort uit de wet, nu artikel 5:71 lid 1 sub c Wft een stichting die preferente aandelen houdt slechts voor twee jaar vrijstelt van de biedplicht. Dit is een tijdelijke uitzondering op de biedplicht en geen algemene norm die tijdelijkheid van bescherming voorschrijft. Er is dan ook geen regel dat bescherming met preferente aandelen na die twee jaar zou moeten eindigen. De prefstichting zou haar belang kunnen afbouwen naar minder dan 30%, wat nog steeds een beschermend effect kan hebben. Met De Brauw meen ik dat de tweejaartermijn in artikel 5:71 lid 1 sub c Wft voor de duidelijkheid zou moeten worden geschrapt.9 De termijn is misleidend omdat deze kan worden opgevat als een uiterste houdbaarheidstermijn voor bescherming door een prefstichting. Het artikel zou in lijn moeten worden gebracht met de gelijkluidende bepaling die ziet op de stichting administratiekantoor (artikel 5:71 lid 1 sub d Wft).
Bij het afbreken van beschermingsconstructies zal het initiatief veelal bij het bestuur liggen. Hiervoor zal op enig moment op basis van wettelijke of statutaire bepalingen mogelijk wel medewerking van de AV nodig zijn, bijvoorbeeld bij het besluit tot statutenwijziging.10 Aandeelhouders kunnen mijns inziens echter ook op eigen initiatief een beschermingsconstructie afbreken wanneer het gaat om onderwerpen waartoe de AV bevoegd is, zoals door agendering van een statutenwijziging die ertoe leidt dat een statutaire constructie wordt beëindigd.11 Door de statutenwijziging zouden preferente aandelen of prioriteitsaandelen kunnen vervallen of, voor zover die reeds geplaatst zijn, worden omgezet in gewone aandelen, of bepaalde bestuursbesluiten onderworpen kunnen worden aan de goedkeuring van de AV. De rechtbank Den Haag oordeelde in 1982 dat dan wel sprake moet zijn van een redelijk belang dat verder gaat dan enkel een eigen belang om een verandering te brengen in een situatie waarvan de kapitaalverschaffer zich bij het kopen van zijn (certificaten van) aandelen genoegzaam bewust was:
“Wij stellen voorop dat een constructie, zoals hiervoor beschreven, die tot doel heeft een overval te voorkomen, naar hier te lande in het algemeen geldende opvattingen aanvaardbaar is. Wie bij zo’n constructie certificaten verwerft doet dat — naar moet worden aangenomen — in het besef dat aan die certificaten geen zeggenschap verbonden is of zal worden. Wil hij dan een aandeelhoudersvergadering bijeen roepen om via een statutenwijziging die zeggenschap te forceren, dan kan hij niet zonder meer geacht worden een redelijk belang bij die vergadering te hebben. Zijn streven moet immers getoetst worden aan de eis, vervat in art. 2:7 BW dat degenen die bij een rechtspersoon betrokken zijn — waaronder de certificaathouders — zich jegens de rechtspersoon en elkander gedragen naar de eisen van redelijkheid en billijkheid. Een gedrag dat aan die eisen voldoet is hier niet aanwezig, indien het gaat om het verkrijgen van de macht in de NV zonder meer. Het kan redelijk noch billijk geacht worden dat de beschermingsconstructie zou worden vernietigd en het bestaan van de NV en haar bedrijf op het spel wordt gezet uit geen andere beweegreden dan een niet verder gemotiveerd eigenbelang.”12
Ik vraag me af of deze lijn in algemene zin gevolgd kan worden. Ik denk dat een eigen (financieel) belang van de aandeelhouder een voldoende belang kan zijn voor het bijeenroepen van een AV (waarbij de aanwezigheid van dat belang slechts summierlijk getoetst wordt13), mits het gaat om een onderwerp (in dit geval: een beschermingsconstructie) die binnen de bevoegdheid van de AV valt. Wanneer het een beschermingsconstructie betreft die volledig binnen de bevoegdheid van het bestuur valt, zoals veelal het geval zal zijn bij pandoraconstructies, dan is de AV niet bevoegd de afschaffing hiervan te agenderen, althans kan zij enkel de bespreking daarvan en geen besluitvorming verzoeken.
Een statutenwijziging kan ook bewerkstelligen dat de facultatieve passiviteits- en doorbraakregel als voorzien in artikel 2:359b BW statutair worden verankerd.14 Hierdoor kan het bestuur vanaf de aankondiging van een openbaar bod geen handelingen uitvoeren die het bod kunnen frustreren, tenzij voorafgaand aan de handeling goedkeuring wordt verleend door de AV of de handeling het zoeken naar een alternatief openbaar bod betreft. Deze beperking van de bestuursbevoegdheid ziet ook op bescherming op dochterniveau, voor zover die in de macht ligt van het bestuur van de beursvennootschap.15
Bij beursvennootschappen wordt gebruikelijk statutair bepaald dat een besluit tot statutenwijziging enkel kan geschieden op voorstel of na goedkeuring van het bestuur of de raad van commissarissen (of een variant daarop).16 In dat geval zal een door aandeelhouders gewenste statutenwijziging zonder een dergelijk voorstel of zonder die goedkeuring slechts ter bespreking kunnen worden geagendeerd.17 In ieder geval zal het bestuur van de beursvennootschap of van een stichting mijns inziens ook beschermingsmaatregelen kunnen inroepen tegen een poging van bestaande aandeelhouders om een dergelijke statutenwijziging te bewerkstelligen.18 De responstijd kan mijns inziens onder omstandigheden worden ingeroepen indien aandeelhouders de afschaffing van een beschermingsconstructie willen agenderen in het licht van een mogelijke vijandige overname, aangezien de afschaffing in dat geval tot een strategiewijziging kan leiden. Indien er geen reële dreiging bestaat, dan leidt het afschaffen van een beschermingsconstructie wat mij betreft op zichzelf niet tot een strategiewijziging en kan ook de responstijd niet worden ingeroepen.19 Dat zou onder bepaalde omstandigheden weer anders kunnen zijn, bijvoorbeeld wanneer de vennootschap actief is in een consoliderende markt en ten opzichte van haar peers een relatief lage beurswaarde heeft.