Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/6.2.4.4
6.2.4.4 Toepassing fraud-created-the-market-theorie in het Nederlandse recht?
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655827:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Ik wijs erop dat deze benadering van het juridisch causaal verband bij prospectusaansprakelijkheid door Franx in zijn dissertatie – met kracht van argumenten – wordt verworpen, zie Franx 2017, p. 237-243.
Vgl. HR 27 november 2009, NJ 2014/201, m.nt. C.E. du Perron; JOR 2010/43, m.nt. K. Frielink (VEB e.a./World Online e.a.), r.o. 4.29.
Ik wijs erop dat deze vraag vooral zal spelen bij het processuele debat ten aanzien van de beleggers die aan hun vordering tot schadevergoeding ten grondslag leggen dat zij ook bij afwezigheid van de misleiding het litigieuze aandeel zouden hebben gekocht, maar dan tegen een gunstigere prijs.
Bij de relevante gatekeepers bij een aandelenuitgifte kan natuurlijk in de eerste plaats worden gedacht aan de begeleidende banken.
Voor de toepassing van een enigszins vergelijkbare constructie in de context van (schending van) de bijzondere zorgplicht van de bank ten opzichte van derden, wijs ik op de overweging over het causaal verband in de uitspraak Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening nr. 2017-033A d.d. 25 oktober 2017, r.o. 4.3: ‘(…) Weliswaar valt niet uit te sluiten dat PDT had getracht via een andere wijze de gelden op vergelijkbare wijze te beleggen. Echter, zij had (…) daarbij een andere intermediair nodig gehad met toegang tot de beurs. Ook voor die instelling had de wettelijke verplichting gegolden dat zij niet zonder nader onderzoek (…) haar diensten had mogen verlenen. Uitgangspunt moet daarbij zijn dat als een dergelijke andere instelling was aangezocht, deze instelling aan die verplichting had voldaan. Een andere uitleg zou een effectieve werking van het vergunningenstelsel waarbij de (particuliere) belegger beschermd wordt tegen financiële instellingen die zonder vergunning hun diensten aanbieden, op ontoelaatbare wijze doorkruisen (…).’ (curs. ACWP)
In het scenario waarin de vennootschap tevens de begeleidende banken heeft misleid, is de redenering dat wanneer zij dat niet zou hebben gedaan, de banken ervoor zouden hebben gezorgd dat de bandbreedte lager zou zijn vastgesteld. In het scenario waarin ook de begeleidende banken bij de misleiding betrokken waren (of althans, wanneer hun kan worden verweten dat zij de misleiding niet hebben opgemerkt), is de redenering dat een te goeder trouw zijnde bank (of althans, een bank die voor haar taak is berekend en deze nauwgezet vervult) ervoor zou hebben gezorgd dat de bandbreedte neerwaarts zou zijn bijgesteld.
Zie hierover Hazen, 4 Law Securities Regulation § 12.11[3]; Coffee, Sale & Whitehead 2021, p. 1152-1165. Zie over het vereiste van loss causation in de Nederlandse literatuur De Jong 2010, p. 100-101; Vandendriessche 2011, nr. 23-38; Olden 2016, p. 175-177; Haazen 2017, p. 85.
Het bestaansrecht van de fraud-created-the-market-theorie is vooral gelegen in het feit dat de (toepassing van de) fraud-ON-the-market-theorie in het Amerikaanse recht is beperkt tot misleiding in de secundaire markt van reeds uitgegeven en genoteerde aandelen. Zou de fraud-on-the-market-theorie (onder omstandigheden) ook mogen worden toegepast bij misleiding op de primaire markt van nieuw uit te geven en nog in de notering op te nemen aandelen,1 dan zou de fraud-created-the-market-theorie grotendeels overbodig zijn. Gelet op de door mij in § 6.2.4.2 sub c verdedigde invulling van de (juridische) causaliteitseis bij prospectusaansprakelijkheid naar Nederlands recht, is de fraud-created-the-market-theorie (of een variant daarvan) ook voor het Nederlandse recht in beginsel overbodig. In dat systeem heeft de belegger die bij de aankoop van het litigieuze aandeel slechts op de integriteit van de uitgifteprijs – of bij aankoop op de secundaire markt: de integriteit van de beurskoers – heeft vertrouwd en die als gevolg van het misleidend prospectus het aandeel tegen een kunstmatig hoge prijs heeft moeten kopen, namelijk al recht op schadevergoeding en worden aan het juridische causaal verband verder geen nadere eisen gesteld.2 Daarom hoeft ook niet naar alternatieven te worden gezocht waarmee het causaal verband tussen de misleiding en de beleggingsbeslissing op indirecte wijze kan worden geconstrueerd.
Ondanks de door mij aangehangen soepele causaliteitsleer, kan ik mij in het kader van prospectusaansprakelijkheid niettemin een situatie voorstellen waarin de (kerngedachte van de) fraud-created-the-market-theorie toch van pas zou kunnen komen. Dat is de situatie waarin (is vastgesteld dat) in het kader van de bookbuilding-methode gebruik is gemaakt van een (voorlopig) prospectus dat op essentiële punten ernstig tekortschoot en waarin aan de hand van een patroon van niet gerechtvaardigde optimistische berichtgeving is geprobeerd de aandelen tegen een veel te hoge (bandbreedte van de uitgifte)prijs aan de man te brengen.3 In zo’n geval zou in het kader van het processuele debat over het causaal verband en/of de schade de vraag kunnen rijzen of het zonder de (ernstige) misleiding wel gelukt zou zijn de aandelen tegen de huidige bandbreedte in de markt te zetten.4 Naar mijn oordeel mag bij het beantwoorden van deze vraag – op grond van een redenering die analoog is aan de fraud-created-the-market-theorie – onder omstandigheden een vermoeden ten gunste van de eisende belegger worden aangenomen. De redenering is dat beleggers redelijkerwijs mogen vertrouwen op de integriteit van de bandbreedte waarmee de aandelen (via de bookbuilding-methode) in de markt worden gezet. Met integriteit van de bandbreedte bedoel ik dat de gekozen bandbreedte wordt gerechtvaardigd door de werkelijke waarde van de aandelen en die bandbreedte niet wordt mogelijk gemaakt door (ernstige) misleiding. Beleggers mogen er met andere woorden op vertrouwen dat zodra een vennootschap – ervan uitgaande dat zij zich niet bezondigt aan misleiding – van plan is aandelen aan te bieden tegen een veel te hoge bandbreedte, de relevante gatekeepers hier een stokje voor zullen steken.5 Vertaald naar de situatie waarin de vennootschap zich wel heeft bezondigd aan misleiding, betekent dit dat (in het processuele debat) in beginsel mag worden aangenomen dat het zonder de misleiding niet zou zijn gelukt de aandelen tegen de huidige bandbreedte in de markt te zetten.6,7
De omstandigheden waaronder toepassing van dit vermoeden kan worden gerechtvaardigd, zijn (dat de belegger kan aantonen) dat (i) sprake was van een prospectus dat op essentiële punten ernstig tekortschoot in combinatie met een patroon van niet gerechtvaardigde optimistische berichtgeving en (ii) de uitgifteprijs waartegen de aandelen thans zijn aangeboden de werkelijke waarde van de aandelen ver te boven ging. Voor toepassing van het vermoeden is wat mij betreft niet vereist dat – à la fraud-created-the-market-theorie – wordt vastgesteld dat de aangeboden aandelen in werkelijkheid waardeloos waren. Een zodanige eis acht ik te streng en daarnaast is zo’n eis ook niet te rijmen met de rol die van gatekeepers in het kader van een aandelenuitgifte mag worden verwacht. Reeds wanneer aandelen in de markt (dreigen te) worden gezet tegen een bandbreedte die (veel) hoger ligt dan de werkelijke waarde van de aandelen rechtvaardigt, mag van de begeleidende banken worden verwacht dat zij ingrijpen. Deze verplichting tot ingrijpen beperkt zich mijns inziens niet tot de situatie waarin de werkelijke waarde van de aandelen nul is.
Het voordeel dat de benadeelde beleggers in een situatie waarin sprake is van ernstige misleiding aan het hier verdedigde vermoeden kunnen ontlenen, is dat men bij het vaststellen van de inflatie in de uitgifteprijs niet vastzit aan de bandbreedte waartegen de aandelen thans zijn aangeboden. Vanwege het vermoeden kan deze inflatie in beginsel ‘vrijelijk’ buiten de bandbreedte bewegen. De toe te kennen schadevergoeding zal dus in beginsel groter zijn dan het (huidige) verschil tussen uitgifteprijs en ondergrens van de bandbreedte.