De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter (R&P nr. VG10) 2019/2.4.1
2.4.1 Rechtspraak 1838-1905
Jacqueline Broese van Groenou, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
Jacqueline Broese van Groenou
- JCDI
JCDI:ADS390835:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Genotsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Bij de Wet van 16 Juni 1832, Stb. 1832, 29 werd verplichte inschrijving voorgeschreven van notariële akten met betrekking tot de overdracht van onroerende zaken, teneinde daarop registratierecht te kunnen heffen, de voorloper van de overdrachtsbelasting. Art. 767 lid 2 OBW vermeldde: “De titel van aankomst van het erfpachtsregt moet in de openbare daartoe bestemde registers worden overgeschreven.” Vergelijk art. 671 OBW: “De levering of opdragt van onroerende zaken geschiedt door de overschrijving van de akte in de daartoe bestemde openbare registers. Indien de akte onderwerpen of handelingen inhoudt, welke niet tot de geleverde zaak betrekkelijk zijn, is het voldoende om bij authentiek uittreksel slechts te doen overschrijven al hetgeen de zaak betreft (…).”
De ruim twintig gepubliceerde arresten van de Hoge Raad en de 110 uitspraken van feitenrechters uit de periode tussen de invoering van het BW 1838 en het arrest Blaauboer/Berlips uit 1905 zijn bestudeerd met het oog op de bespreking van de rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter, met name ten aanzien van tussen hen bestaande verbintenissen. In welke termen wordt die rechtsverhouding beschreven? Welke argumenten worden gebruikt in beoordelingen van verbintenissen tussen erfverpachter en erfpachter?
In het algemeen bieden de uitspraken uit deze periode van voor de opkomst van stedelijke erfpacht enige verduidelijking in rechtsvragen rond het ontstaan, het beëindigen en de inhoud van rechten van erfpacht onder verschillende jurisdicties. De voornaamste bronnen voor de inhoud van erfpachtrechten gevestigd vanaf 1825 waren de titel van aankomst en het regelende recht uit de wet. Voor oudere rechten bleef het recht ten tijde van vestiging gelden. Vanaf 1832 diende de vestigingsakte in de openbare registers te worden ingeschreven.1 De bewijskracht van de overgeschreven titel was beduidend groter dan die van een (mondelinge) overeenkomst.
Geschillen gingen met name over achterstallige canon of over de beëindiging van gebruiksrechten en deze werden behandeld door de rechtbank, eventueel na verwijzing door de kantonrechter, ingeval een der partijen het bestaan of de aard van de rechtsverhouding betwistte. De gebruiker verweerde zich bijvoorbeeld tegen beëindiging van zijn recht met de stelling dat hij eigenaar van de grond was (en geen erfpachter) of dat hij het perceel gebruikte op grond van een erfpachtrecht, eventueel verkregen door verjaring, en niet op grond van een ander gebruiksrecht zoals huur. De rechters dienden dan een oordeel uit te spreken over de aard van de rechtsverhouding en dat maakt deze uitspraken van belang voor dit onderzoek. Het vaststellen van de juiste aard van de rechtsverhouding tussen partijen geschiedde aan de hand van documenten, eventueel aangevuld met getuigenverklaringen. Uit de documenten en verklaringen diende te blijken dat er op enig moment op een bepaald stuk grond een gebruiksrecht met een bepaalde inhoud was gevestigd, dat de ene partij in het geding de geldige rechtsopvolger was van de grondeigenaar en de andere partij de geldige rechtsopvolger van degene aan wie het gebruiksrecht was verleend. De inhoud van het gebruiksrecht, waaronder de hoogte van de canon, diende mede ter identificatie van het recht. Indien een van deze elementen niet kon worden aangetoond werd de vordering of het verweer afgewezen. De beoordeling van de aard van het gebruiksrecht geschiedde naar de rechtsregels die golden ten tijde van de vestiging en aan de hand van een objectieve uitleg van de akte van vestiging. De bespreking van uitspraken betreft zaken waarin vaststond dat sprake was van een erfpachtrecht en waarin een verbintenis van partijen jegens elkaar uit dat recht in geschil was.
De vraag die mij hier bezighoudt is, als eenmaal is vastgesteld dat er sprake is van een erfpachtrecht en dus van een zakenrechtelijke rechtsverhouding, in hoeverre er dan binnen het zakenrechtelijk kader ruimte is voor de toepassing van regels van het verbintenissenrecht en voor open normen zoals de werking van de goede trouw. Uit de oordelen over deze geschillen blijkt hoe in de rechtspraak over de rechtsverhouding werd gedacht en hoe en of daarbij termen en begrippen uit het goederenrecht en het verbintenissenrecht werden toegepast. Om die argumenten goed voor het voetlicht te krijgen zal ik tamelijk uitvoerig uit de geselecteerde uitspraken citeren. De uitspraken zijn primair geselecteerd op de gebruikte argumenten en minder op de juridische juistheid van het gegeven oordeel, vandaar dat niet alleen arresten van de Hoge Raad zijn bestudeerd maar juist ook een selectie van uitspraken van lagere rechters.
De bespreking begint bij de rechtsverhouding (par. 2.4.1.1) gevolgd een korte bespreking van de bronnen van het recht, ook bij erfpachtrechten ontstaan door verjaring (par. 2.4.1.2). Uitspraken over erfpachtvoorwaarden omvatten zowel het toestemmingsvereiste als canonherziening (par. 2.4.1.3) en worden gevolgd door uitspraken over het einde van het recht (par. 2.4.1.4). Deze drie onderwerpen komen in het vervolg van dit onderzoek nog uitvoerig aan de orde. Vervolgens wordt aandacht besteed aan de bevoegdheid van de rechter (par. 2.4.1.5) en de paragraaf eindigt met een samenvatting van bevindingen (par. 2.4.1.6).
2.4.1.1 De rechtsverhouding2.4.1.2 Bronnen van het recht2.4.1.3 Erfpachtvoorwaarden2.4.1.4 Beëindiging van erfpachtrechten2.4.1.5 Zakelijke of persoonlijke rechtsvordering2.4.1.6 Samenvatting rechtspraak 1838-1905