Naar een Nederlandse political question-doctrine?
Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/3.7:3.7 Afronding
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/3.7
3.7 Afronding
Documentgegevens:
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233754:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De nadruk op de eerste twee Baker-factoren en het zeer beperkte aantal zaken sinds Baker v. Carr waarin het Hof de political question-doctrine heeft toegepast, kunnen het belang van de doctrine voor de Amerikaanse rechtspraktijk ernstig in twijfel doen trekken. Sterker nog: zeker na Zivotofsky v. Clinton, maar ook reeds daarvóór, bijvoorbeeld naar aanleiding van de later in dit onderzoek nog te bespreken zaak Bush v. Gore, zijn in de literatuur grote twijfels geuit over het belang van de doctrine.1 Sommige auteurs hebben betoogd dat het einde van de doctrine nabij is of dat de doctrine niet meer bestaat.2 Koopmans heeft in de Nederlandse literatuur opgemerkt dat de doctrine door de dynamiek van latere rechtspraak is achterhaald.3
Toch is dit alles om diverse redenen voorbarig. De toepassing van de doctrine door het Hof in de zaak Rucho v. Common Cause uit 2019 bevestigt dat de doctrine nog altijd relevant is voor de Amerikaanse rechtspraktijk en voor het Hof. Een andere belangrijke reden hiervoor is gelegen in de rechtspraak van lagere federale rechters. In het volgende hoofdstuk zal blijken dat lagere federale rechters de political question-doctrine regelmatig toepassen. Opvallend is dat zij daarbij ook meer oog hebben voor de vier overige, meer pragmatische Baker-factoren dan het Hof.