Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/VII.4.3.1
VII.4.3.1 Inleiding
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242887:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Het NV-recht voorziet niet in een specifieke grondslag. Dit betekent niet dat bestuurders van een NV niet aansprakelijk kunnen worden gesteld voor ongeoorloofde uitkeringen aan aandeelhouders. Zo kan de aansprakelijkheid van bestuurders van een NV worden gebaseerd op art. 6:162 BW, zie bijvoorbeeld HR 8 november 1991, NJ 1992, 174 m.nt. Maeijer (Nimox). Ook kan art. 2:9 BW of art. 2:138 BW als grondslag voor aansprakelijkheid dienen. Zie hierover Bier 2019, p. 33-35.
Zie Kamerstukken II 2006/07, 31 058, 3, p. 33 (MvT); en Kamerstukken II 2008/09, 31 058, 6, p. 51 (NV). Deze keuze deed de nodige stof opwaaien. Zie voor kritiek bijvoorbeeld Huizink, TvI 2012/8.
Is de vennootschap gefailleerd, dan is de curator daartoe bevoegd. De curator kan overigens ook een vordering ex art. 2:248 BW instellen, zie bijvoorbeeld HR 6 februari 2004, JOR 2004/67 m.nt. Van den Ingh (Reinders Didam); en HR 23 september 2016, NJ 2016, 498 m.nt. Van Schilfgaarde; JOR 2017/154 m.nt. Ten Berg (Kelderman).
Hetzelfde geldt voor de mogelijkheid bestuurders op de voet van art. 2:9 BW of art. 2:248 BW aan te spreken.
Zie Stb. 2012, 299.
Zo zou het minimumkapitaal geen adequate bescherming voor crediteuren bieden. Een ander punt van kritiek was dat bij het bepalen van het uitkeerbare vermogen werd uitgegaan van de gegevens in de laatst vastgestelde jaarrekening, terwijl die gegevens veelal gedateerd waren op het moment dat besluitvorming over de uitkering plaatsvond, zie Kamerstukken II 2006/07, 31 058, 3, p. 24 (MvT).
Zie Vereenvoudiging en flexibilisering van het Nederlandse BV-recht, bijlage bij Kamerstukken II 2006/07, 31 058, 3. De expertgroep is in het najaar van 2003 door de Minister van Justitie en de Staatssecretaris van Economische Zaken ingesteld. De expertgroep had als opdracht aanbevelingen te doen met betrekking tot de knelpunten in het BV-recht, zie Kamerstukken II 2006/07, 31 058, 3, p. 2 (MvT). De aanbeveling van de expertgroep werd gesteund door bevindingen in een tweetal onderzoeken, zie Alternatieve systemen voor kapitaalbescherming, bijlage bij Kamerstukken II 2006/07, 31 058, 3; en Versoepeling van het BV-kapitaalbeschermingsrecht, bijlage bij Kamerstukken II 2006/07, 31 058, 3. Deze onderzoeken zijn in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken verricht door het Instituut voor Ondernemingsrecht Groningen, zie Kamerstukken II 2006/07, 31 058, 3, p. 2 (MvT).
Kamerstukken II 2006/07, 31 058, 3, p. 25 (MvT).
Hetgeen ik in deze paragraaf schrijf, is ook relevant voor de inkoop van eigen aandelen ex art. 2:207 BW en kapitaalvermindering met terugbetaling op aandelen ex art. 2:208 BW. Het systeem van laatstgenoemde bepalingen is immers hetzelfde als dat van art. 2:216 BW. Zie ook Kamerstukken II 2006/07, 31 058, 3, p. 28 en 69 (MvT). Een vermeldenswaardig verschil tussen de drie bepalingen is dat het bestuur op grond van art. 2:216 lid 2 BW en art. 2:208 lid 6 jo. 2:216 lid 2 BW goedkeuring moet verlenen aan een besluit van de algemene vergadering, terwijl het bestuur op grond van art. 2:207 zelfstandig bevoegd is te besluiten. Daarom verklaart slechts art. 2:208 lid 6 BW de regeling van art. 2:216 lid 2 en 3 BW van overeenkomstige toepassing. De regeling van art. 2:207 lid 2 en 3 BW sluit aan bij die van art. 2:216 lid 2 en 3 BW.
Idem Bulten 2012, p. 15; en Croiset van Uchelen, TOP 2014/242.
Uiteraard kan een commissaris ook op grond van art. 6:162 BW of art. 2:259 jo. 2:9 of 2:248 BW worden aangesproken.
De aansprakelijkheid van de niet-uitvoerende bestuurder voor uitkeringen aan aandeelhouders is voor BV’s geregeld in art. 2:216 lid 3 BW.1 Hoewel de regeling van art. 2:216 BW in de eerste plaats beoogt vennootschapscrediteuren te beschermen, is de aansprakelijkheid van het derde lid intern van aard.2 Dit betekent dat alleen de vennootschap een beroep kan doen op de bepaling.3 Voor crediteuren van de vennootschap staat enkel de weg van art. 6:162 BW open.
De mogelijkheid om bestuurders voor ongeoorloofde uitkeringen aan te spreken op grond van onrechtmatige daad, bestaat al sinds jaar en dag.4 Sinds 1 oktober 2012 voorziet Boek 2 BW tevens in een expliciete grondslag om bestuurders van een BV intern aan te spreken.5 De aansprakelijkheidsregeling van art. 2:216 BW maakt onderdeel uit van het sinds de inwerkingtreding van de Wet Flex-BV fungerende systeem van kapitaalbescherming voor de BV. Op het oude systeem bestond veel kritiek.6 De expertgroep onder voorzitterschap van De Kluiver stelde voor met het oude systeem van kapitaalbescherming te breken.7 Het door de expertgroep geopperde idee sprak de wetgever aan.8 Uiteindelijk is de volgende regeling in de wet opgenomen.
Sinds 1 oktober 2012 bepaalt het eerste lid van art. 2:216 BW dat de algemene vergadering bevoegd is tot de bestemming van de winst en de vaststelling van uitkeringen, voor zover het eigen vermogen groter is dan de reserves die krachtens de wet of de statuten moeten worden aangehouden. Een door de algemene vergadering genomen uitkeringsbesluit heeft niet direct gevolgen. Op grond van het tweede lid van art. 2:216 BW is daarvoor de goedkeuring van het bestuur vereist. Het bestuur moet de goedkeuring weigeren, indien het weet of redelijkerwijs behoort te voorzien dat de vennootschap na de uitkering niet zal kunnen voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden. In § VII.4.3.3 ga ik hier nader op in.
Aan de uitkeringstest van art. 2:216 lid 2 BW is een aansprakelijkheidsregeling gekoppeld. Deze regeling is in het derde lid van art. 2:216 BW te vinden. Op grond van deze regeling zijn de bestuurders die ten tijde van de uitkering wisten of redelijkerwijs behoorden te voorzien dat de vennootschap na de uitkering niet zou kunnen voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden, hoofdelijk aansprakelijk jegens de vennootschap voor het tekort dat door de uitkering ontstaat. Ditzelfde lid biedt de bestuurders een disculpatiemogelijkheid. Een bestuurder kan zich aan aansprakelijkheid onttrekken indien hij stelt en zo nodig bewijst dat het niet aan hem te wijten is dat de uitkering is gedaan en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden.9
Ondanks dat art. 2:216 lid 3 BW in een disculpatiemogelijkheid voorziet, ben ik van mening dat de niet-uitvoerende bestuurder in het kader van ongeoorloofde uitkeringen per definitie meer risico loopt dan een commissaris.10 Enkel bestuurders kunnen immers op de voet van art. 2:216 lid 3 BW worden aangesproken wegens het doen van ongeoorloofde uitkeringen. Dit wil overigens niet zeggen dat een commissaris in het geheel geen risico loopt. Onder omstandigheden kan hij namelijk worden aangesproken op grond van art. 2:216 lid 4 BW. Op grond van laatstgenoemde bepaling wordt degene die het beleid van de vennootschap heeft bepaald of mede heeft bepaald als ware hij bestuurder, met een bestuurder gelijkgesteld.11