Einde inhoudsopgave
Personentoetsingen in de financiële sector (O&R nr. 127) 2021/4.5
4.5 Tweede echelon-toetsingen bij (beroeps-)pensioenfondsen
mr. drs. I. Palm-Steyerberg, datum 01-03-2021
- Datum
01-03-2021
- Auteur
mr. drs. I. Palm-Steyerberg
- JCDI
JCDI:ADS268367:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 106, derde en vierde lid Pw en art. 110c, derde en vierde lid, Wvb en art. 29, tweede lid, Besluit uitvoering Pensioenwet en Wvb. Overigens dienen ook alle personen die betrokken zijn bij het vervullen van een sleutelfunctie geschikt en betrouwbaar te zijn voor het vervullen van die functie. Pensioenfondsen zijn zelf verantwoordelijk voor het toetsen van de geschiktheid en betrouwbaarheid van deze personen. DNB kan, indien zij daartoe aanleiding ziet, deze personen onderwerpen aan een toets maar verplichte voorafgaande toetsing door DNB wordt niet noodzakelijk geacht (Kamerstukken II, 2017/18, 34 934, nr. 3, p. 9). Voor premiepensioeninstellingen geldt de verplichting uitsluitend voor de interne controlefunctie (interne auditfunctie) en de risicobeheerfunctie, zie art. 17aa en 26.01 Bpr Wft.
Zie ook Stb. 2018/516, p. 29.
Zie Overweging (55) en art. 22, eerste en tweede lid van de IORP II- Richtlijn, en hetgeen hierover is opgemerkt ten aanzien van verzekeraars.
Werpen wij tot slot nog een blik op de (beroeps-)pensioenfondsen en premiepensioeninstellingen. Ook bij (beroeps-)pensioenfondsen dienen de houders van de controlefuncties (risicobeheer, interne audit en de actuariële functie) geschikt en betrouwbaar te zijn, zo volgt uit de betreffende Europese richtlijn (IORP II).1 DNB toetst daarbij steeds de betrouwbaarheid, maar de geschiktheid alleen wanneer hiertoe, naar het oordeel van de toezichthouder, aanleiding voor is.2 Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan bijzonderheden blijkend uit de betrouwbaarheidstoetsing, signalen en incidenten die aanleiding geven tot zorgen over de geschiktheid en betrouwbaarheid van de betreffende persoon, een toename van de complexiteit of de schaal van de activiteiten van de instelling of omdat er een bijzonder belang bestaat dat een bepaalde functie goed wordt ingevuld.3 De IORP II-richtlijn bevat echter een notificatieplicht voor de betreffende houders van een interne controlefunctie. Hieruit kan worden afgeleid dat, net als bij verzekeraars, zowel de betrouwbaarheid als de geschiktheid op enig moment door de toezichthouder moeten worden getoetst.4 De Nederlandse regeling lijkt op dit punt te beperkt van aard.