Einde inhoudsopgave
Personentoetsingen in de financiële sector (O&R nr. 127) 2021/4.6
4.6 Tot slot
mr. drs. I. Palm-Steyerberg, datum 01-03-2021
- Datum
01-03-2021
- Auteur
mr. drs. I. Palm-Steyerberg
- JCDI
JCDI:ADS268405:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook hoofdstuk 2, paragraaf 2.2.1.
Van Toor sluit zich hierbij aan, zie C. van Toor, ‘Repliek Chris van Toor op de reactie van Iris Palm-Steyerberg in FR 2020, nr. 1/2 op zijn bijdrage in FR 2019, nr. 9: ‘Vier jaar toetsing tweede echelon bij banken en verzekeraars: een effectieve procedure of een procedure die heroverweging verdient?’, FR 2020, afl. 4, p. 158-159.
Bruggen slaan, Regeerakkoord VVD – PvdA, 29 oktober 2012, https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2012/10/29/regeerakkoord, p. 11. Ook de memorie van toelichting geeft aan dat het moet gaan om personen die verantwoordelijk zijn voor het verrichten van transacties met grote risico’s. Wanneer die risico’s zich verwezenlijken kan dit een directe weerslag hebben op de financiële soliditeit van de financiële onderneming. Ook de stabiliteit van de financiële sector en het vertrouwen in de sector kan hierdoor in gevaar worden gebracht. (Kamerstukken II 2013/14, 33 918, nr. 3, p. 3).
De geschiktheid van houders van controlefuncties die tevens kwalificeren als dagelijks beleidsbepalers dient uiteraard wel te worden getoetst.
Niet duidelijk is of de Richtlijn-Solvabiliteit II en de IORP II-Richtlijn bedoelen om ook interne toezichthouders (zoals commissarissen in een two tier-board en leden van de raad van toezicht) onder de toets te laten vallen. Voorts lijkt uit de IOPR II-Richtlijn te volgen dat bestuurders uitsluitend geschikt dienen te zijn als collectief. Zie hierover ook hoofdstuk 3.
Zie art. 16 MiFID II-Richtlijn jo art. 22-24 van de Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/565 van 25 april 2016 en art. 15, 37, 171, 172 en hoofdstuk 3 van de Richtsnoeren van EBA en ESMA 2017.
In verschillende sectoren beperkt de wetgeving zich voorts tot de verplichting om te beschikken over een (onafhankelijke) audit- en compliancefunctie, zonder dat de eis wordt gesteld dat de houders van deze functies geschikt en betrouwbaar dienen te zijn (al zal dit wel uit de eisen ten aanzien van de beheerste en integere bedrijfsvoering kunnen volgen), vergelijk art. 15 Wtt 2018 voor trustkantoren en art. 6 en 11 Gedelegeerde Verordening (EU) 153/2013 van de Commissie van 19 december 2012 voor centrale tegenpartijen.
Een dergelijke toets volgt voor een significante CRR-beleggingsonderneming uit de Richtsnoeren van EBA en ESMA 2017.
Waar de wetgever de tweede echelon-regeling voor banken en verzekeraars in de toelichting motiveert, laat zij dit bij kredietunies na (Kamerstukken II, 2013/14, 33 918, nr. 3, p. 4).
Concluderend kan worden gesteld dat de Nederlandse wetgever zich bij de invoering van de tweede echelon-regeling rekenschap heeft gegeven van de Europese kaders. De Nederlandse gedeeltelijk cross-sectoraal opgezette regeling wijkt echter op meerdere onderdelen (definitie, toepassingsbereik, verplichte toezichthouder-toets) af van de Europese, sectorale, regelgeving.
De vraag is voorts of de Europese regelgevers met de nadruk op de houders van de controlefuncties wel de juiste accenten hebben gelegd. Mogelijk kunnen de instellingen in kwestie deze personen zelf afdoende toetsen op, in ieder geval, geschiktheid. In Nederland is dit reeds standaardpraktijk, en wordt de tweede echelon-toets tot in beginsel een betrouwbaarheidstoets beperkt. Deze laatste toets kan toegevoegde waarde hebben, nu de Nederlandse toezichthouders meer bronnen ter beschikking staan voor het uitvoeren van de betrouwbaarheidstoetsing dan de instelling zelf.1 De betrouwbaarheidstoets dient voorts, in het licht van het betrouwbaarheidspaspoort, van dezelfde kwaliteit te zijn als de toetsing bij (dagelijks) beleidsbepalers en interne toezichthouders.2 In de literatuur worden overigens ook bij de door de toezichthouder uit te voeren betrouwbaarheidstoets vraagtekens geplaatst. Banken en verzekeraars zijn immers al verplicht tot het voeren van een integriteitsbeleid en tot het maken van een onderbouwde beoordeling van de betrouwbaarheid van personen in een integriteitsgevoelige functie.3
Hoe dan ook zou de aandacht wellicht beter kunnen worden gericht op de personen die daadwerkelijk verantwoordelijk zijn voor het nemen van belangrijke risico’s of hier grote invloed op kunnen uitoefenen, waardoor de financiële soliditeit van de instelling in gevaar zou kunnen komen (de “risk-takers”).4 Dergelijke personen zijn, afhankelijk van de instelling, bijvoorbeeld de hoofden van belangrijke bedrijfsonderdelen waar grote financiële risico’s worden gelopen of van buitenlandse bijkantoren (in bijvoorbeeld hoog-risico landen). Dit lijkt ook de bedoeling te zijn geweest van het regeerakkoord van destijds (“Bruggen slaan”), waarin is opgenomen: “Niet alleen topbankiers worden door de Autoriteit Financiële Markten en de Nederlandsche Bank gescreend, ook bankmedewerkers verantwoordelijk voor transacties met hoge risico’s”.5
Anders dan in de Nederlandse definitie zou deze groep niet beperkt moeten worden tot het “tweede echelon”, oftewel personen die zich in de organisatiestructuur direct onder de raad van bestuur bevinden. Het lijkt mij namelijk niet onmogelijk dat bepaalde risk-takers zich op een lager niveau bevinden in de organisatie, bijvoorbeeld wanneer gebruik gemaakt wordt van een Executive Committee.
Ook zou het mijns inziens aan te bevelen zijn wanneer de Europese en Nederlandse regelgevers de gekozen formulering bij pensioenfondsen (“toetsing wanneer hiertoe aanleiding bestaat”) ook in andere sectoren zouden overnemen. Dit geeft de toezichthouder de ruimte om het toezicht risico-gebaseerd in te richten, en daarbij de aandacht te kunnen verschuiven van houders van controlefuncties naar (bepaalde) risk-takers. Een verschuiving kortom in het “three lines of defence-model” van de tweede en derde line of defence naar de eerste line of defence. Dit kan leiden tot het uitvoeren van minder toetsingen, die echter wel diepgaander door de toezichthouder kunnen worden uitgevoerd.
Een dergelijk systeem zou ook tot meer cross-sectorale convergentie kunnen leiden. Nu immers volgt uit de Europese regelgeving dat bij verzekeraars, in ieder geval volgens EIOPA, alle houders van controlefuncties door de toezichthouder dienen te worden getoetst, plus het senior management, terwijl EBA aangeeft dat bij banken alleen de houders van controlefuncties verplicht door de toezichthouder moeten worden getoetst, en dan nog alleen bij de beperkte groep significante ECB-banken. Bij pensioenfondsen staat de Nederlandse wetgever toe dat de toezichthouder de geschiktheid risico-gebaseerd toetst en geldt dus eigenlijk voor geen enkele houder van een controlefunctie een verplichte geschiktheidstoets.6 Dit maakt de tweede echelon-toetsing tot een onduidelijke kluwen van regelgeving. De “eerste echelon-toets” zou zich moeten richten op de dagelijks beleidsbepalers en interne toezichthouders (zoals commissarissen en leden van bijvoorbeeld een raad van toezicht).7 Deze personen zouden steeds door de toezichthouder op zowel geschiktheid als betrouwbaarheid dienen te worden getoetst. De tweede echelon-toets kan dan zien op zowel houders van controlefuncties als risk-takers, die slechts door de toezichthouder worden getoetst wanneer daartoe concrete aanleiding bestaat. Op die manier kan wellicht een herkenbaar model worden ontwikkeld dat kan worden toegepast bij zowel verzekeraars, banken als pensioenfondsen.
Tegelijkertijd lijkt het aangewezen dat de Europese en Nederlandse wetgevers zich rekenschap blijven geven van de verschillen tussen sectoren en een proportionele toepassing van de tweede echelon-eisen nastreven. Ook voor andere ondernemingen in de financiële sector, zoals beleggingsondernemingen8 en betaalinstellingen9 eist de Europese regelgeving dat houders van controlefuncties en/of hoger management geschikt en betrouwbaar dienen te zijn, zonder dat de Nederlandse wetgever hierbij in een toetsing door de toezichthouder heeft voorzien.10 De toetsing wordt hier volledig overgelaten aan de instellingen zelf en de toezichthouder beperkt zich tot een toets van de daarbij gevolgde procedures en maatregelen. Voor banken, verzekeraars, kredietunies en pensioenfondsen geldt, zoals wij hiervoor zagen, een ander systeem. De achterliggende reden voor deze verschillen is niet altijd evident. Zo zou een toezichthouder-toets van bepaalde risk-takers bij grote, significante beleggingsondernemingen11 of betaalinstellingen best aangewezen kunnen zijn, terwijl deze bij bijvoorbeeld kredietunies wellicht evengoed kan worden gemist.12 De rationale voor ofwel de ene, dan wel de andere variant, zou mijns inziens duidelijker door de Europese en Nederlandse wetgevers moeten worden aangegeven.