Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/I.3.4.3
I.3.4.3 Bescherming versterferfgenamen
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS624141:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Sens 1990, p. 71: ‘Das Argument von der Schutzbedürftigkeit der gesetzlichen Erben findet sich schon in den Protokollen. Dort heiβt es, […] Das Erbrecht beruhe auf der Familie und dieser müsse das Vermögen möglichst erhalten bleiben; die Testierfreiheit sei nur zugelassen, um den individuellen Verhältnissen des Einzelfalls Rechnung tragen zu können. Wenn der Erblasser die Verfügung nicht treffen könne, solle er den Dingen ihren Lauf lassen.’
Sens 1990, p. 75 e.v.; Wagner 1997, p. 35; Halding-Hoppenheit 2003, p. 111 e.v.
Sens 1990, p. 75 e.v.; Wagner 1997, p. 35; Frey 1999, p. 79-83; Halding-Hoppenheit 2003, p. 111 e.v. en subparagraaf 1.3.4.2 onder A ‘Schutz der gesetzlichen Erben also Schutz der Familie’. Frey is eveneens van mening dat de bescherming van de familie niet Sinn und Zweck van het materiële aspect van het hoogstpersoonlijke kan zijn. Hij stoelt deze mening evenwel op andere gronden. Zo maakt hij de vergelijking met legaten en het toeval en merkt hij in dit kader op dat: ‘Im Vermächtnisrecht sowie bei Zufallsbedingungen besteht die Schutzbedürftigkeit der Familie nämlich gleichermaβen, obgleich dort eine Entscheidungsüberlassung zulässig ist, bzw. der Erblasser keine eigene Entscheidung hinsichtlich des Zuwendungsempfängers treffen muβ. Schlieβlich würde die Verwirklichung des Familienschutzes bei der vorherrschende Konzeption der Höchstpersönlichkeit zu einer unverhältnismäβigen Einschränkung der Testierfreiheit führen.’
Zie voor deze ontwikkeling ook Sens 1990, p. 72 e.v., waarbij zij ingaat op het spanningsveld tussen familie-erfrecht en testeervrijheid. Over dit spanningsveld ook: Henrich & Schwab 2001.
Sens 1990, p. 78. Zie voor commentaar hierop: Frey 1999, p. 80.
Zie ook subparagraaf 1.3.4.2 onder A ‘Schutz der gesetzlichen Erben also Schutz der Familie’.
Zie Zimmermann 1991, p. 26; Wagner 1997, p. 35 e.v.; Frey 1999, p. 79 e.v.; Lange/Kuchinke 2001, p. 543; Halding-Hoppenheit 2003, p. 115 e.v. Kritiek op Zimmermann wordt geuit door Frey 1999, p. 79-80.
Zie Grossfeld 1968, p. 118 e.v.; Stiegeler 1985, p. 68 e.v.; Sens 1990, p. 85 e.v.; Wagner 1997, p. 43 e.v.
Voor een gedetailleerde aanval op de visie van Grossfeld, Stiegeler en Sens zie de opmerkingen van Wagner 1997, p. 44 e.v. en Halding-Hoppenheit 2003, p. 119 e.v. Voor kritiek op Wagners ‘friedenstiftende Funktion des Grundsatzes der Höchstpersönlichkeit‘ zie Halding-Hoppenheit 2003, p. 126 e.v.
Halding-Hoppenheit 2003, p. 125.
Zie hierover mijn opmerkingen in subparagraaf 1.2.2.2 ‘Intermezzo: een delegatieverbod omwille van de testeervrijheid’.
Het argument dat wilsdelegatie onwenselijk is omwille van de bescherming van de versterferfgenamen,1 past naar het oordeel van Halding-Hoppenheit, Wagner en Sens niet meer in het huidige tijdsbeeld.2 Ik schreef al hierover in paragraaf 1.3.4.2, in het kader van de reikwijdte van de testeervrijheid. In deze paragraaf deelde ik de mening dat de bescherming van de versterferfgenamen vandaag de dag geen rechtvaardiging voor een delegatieverbod kan zijn. Om niet te zeer in herhaling te treden ten aanzien van hetgeen reeds is opgemerkt, zal hierna enkel een summiere toelichting worden gegeven op deze omstreden functie van het Drittbestimmungsverbot. Voor een uitgebreidere toelichting verwijs ik naar Sens, Wagner, Frey en Halding-Hoppenheit, evenals naar mijn opmerkingen hierover in subparagraaf 1.3.4.2.3
Bekeken vanuit de invalshoek Sinn und Zweck van het Drittbestimmungsverbot kan worden gesteld dat de hierboven genoemde functies die te maken hebben met de bescherming en verzorging van familieleden/ versterferfgenamen (punt 2 en 5) thans geen naam mogen hebben. Het hoogtij vierende individualisme en veranderingen in het sociale klimaat hebben namelijk een fundamentele ommekeer in het rechtsdenken teweeggebracht, waardoor het accent van familievermogen en versterferfrecht is verschoven naar eigen vermogen en testeervrijheid.4 Een Drittbestimmungsverbot wenselijk achten omwille van de bescherming van de familie overtuigt hierdoor niet (meer). Of, zoals Sens het kernachtig verwoordt:
‘Der stark ausgeprägte Familienschutzgedanke, der hinter der Regelung des § 2065 II BGB steht, war zur Zeit der Schaffung des Bürgerlichen Gesetzbuchs gerechtfertigt, während er es heute nicht mehr ist.’5
Mocht hierover anders gedacht worden en al met al toch behoefte aan een zekere bescherming van de vesterferfgenamen bestaan, dan kan de vraag worden gesteld of een Drittbestimmungsverbot hiertoe wel het geschikte middel is.6 Deze vraag wordt door Halding-Hoppenheit, Kuchinke, Frey, Wagner en Zimmermann ontkennend beantwoord.7 Enerzijds strookt de gedachte van het beschermen van de versterferfgenamen door middel van een Drittbestimmungsverbot niet met de door de wetgever gemaakte uitzondering op dit verbod ten aanzien van het legaat, noch leidt de uit het verbod voortvloeiende nietigheid steeds tot een bevoordeling van de versterferfgenamen (zie Halding-Hoppenheit, Frey en Wagner). Anderzijds impliceert het toestaan van wilsdelegatie niet noodzakelijkerwijs een benadeling van de versterferfgenamen (Zimmermann, Kuchinke en Halding-Hoppenheit; zie ook subparagraaf 1.3.4.2).
Ook de hiermee samenhangende gedachte van Grossfeld, Stiegeler, Sens en Wagner dat alleen de erflater bevoegd is om van het versterferfrecht af te wijken (‘ausschlieβliche Autorität des Erblassers’), omdat – globaal gezegd – anders geen behoorlijke verdeling kan plaatsvinden, dan wel de versterferfgenamen voor hen nadelige gevolgen enkel van erflater accepteren (‘friedenstiftende Funktion’, zie punt 5),8 kan niet Sinn und Zweck van het Drittbestimmungsverbot zijn.9 Mijns inziens kennen de aanhangers van deze gedachte eveneens te veel gewicht toe aan het zojuist ontkrachte belang van ‘Schutz der gesetzlichen Erben’. De band met de familie is in de huidige maatschappij sterk afgezwakt en geen vanzelfsprekendheid. Waarom dan nog zoveel waarde hechten aan een eerlijke verdeling voor de versterferfgenamen en de acceptatie van de door de uitvoering van de uiterste wil teweeggebrachte gevolgen? En waarom, zoals ook Halding-Hoppenheit10 stelt, niet het vertrouwen hebben in erflaters (bewuste) keuze om zijn wil aan een derde te delegeren? Het is toch zo dat erflaters wil prevaleert op het versterferfrecht. Een wil die mijns inziens ook kan inhouden het inschakelen van een derde door middel van wilsdelegatie (zolang het maar niet om een ongebreidelde wilsdelegatie gaat).11 Wellicht dat deze derde in zijn beslissing met de belangen van de versterferfgenamen zelfs beter rekening kan houden dan de erflater die zijn uiterste wilsbeschikkingen jaren geleden maakte toen omstandigheden er nog anders uitzagen.