Einde inhoudsopgave
Grensoverschrijdende fusies van kapitaalvennootschappen naar Nederlands recht (VDHI nr. 109) 2011/2.2
2.2 Ontwikkelingen rondom grensoverschrijdende fusie
mr. H.J.M.M. van Boxel, datum 11-05-2011
- Datum
11-05-2011
- Auteur
mr. H.J.M.M. van Boxel
- JCDI
JCDI:ADS436982:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Van Solinge 1994, § 4.1 p. 161. De dissertatie van Van Solinge kan gezien worden als een van de belangrijkste bronnen van het denkproces rondom grensoverschrijdende fusies vanuit Nederlands perspectief. Het verkrijgen van een uitgebreid beeld van de historische ontwikkelingen rond grensoverschrijdende fusies is een van de redenen zijn dissertatie te raadplegen.
Denk bijvoorbeeld aan het Haags Erkenningsverdrag en het EEG-erkenningsverdrag. Zie over de relevantie hiervan en voor een uitgebreider historisch overzicht Van Solinge 1994, hfdst 2, p. 19-45 alsmede de aldaar vermelde literatuur. Zie voorts voor een uitgebreid historisch overzicht Van Solinge 2007, p. 676-680.
Van Solinge 1994 p. 24.
Van Solinge 1994 p. 31.
Lang voordat er Europese regelgeving met betrekking tot de grensoverschrijdende fusie was ingevoerd en ook voordat het HvJEU zich boog over de vraag naar de toelaatbaarheid van het weigeren een uitgevoerde grensoverschrijdende fusie te erkennen, werd er in de literatuur gediscussieerd over de vraag of een grensoverschrijdende fusie mogelijk was onder het toen actuele recht.
Die vraag was een van de vragen die centraal stonden in de dissertatie van Van Solinge.1
Hoewel binnen Europa al vanaf het midden van de vorige eeuw initiatieven werden genomen te komen tot verdergaande harmonisatie die mede van belang was voor de beantwoording van de vraag of grensoverschrijdende fusies mogelijk waren,2werd een eerste echte serieuze zet gedaan in 1965 met een poging te komen tot een Ontwerp van Verdrag over de internationale fusie (`OVIF'). De commissie onder voorzitterschap van B. Goldman kwam in 1973 met een ontwerp.
Van Solinge leert ons de rechtsbasis van het ontwerp,3 het toenmalige artikel 220, derde streepje EEG-verdrag.
`De lid-Staten treden, voor zover nodig, met elkaar in onderhandeling ter verzekering, voor hun onderdanen, van (...) de onderlinge erkenning van vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 58, de handhaving van rechtspersoonlijkheid in geval van verplaatsing van de zetel van het ene land naar het andere en de mogelijkheid tot fusie van vennootschappen die onder verschillende nationale wetgevingen ressorteren.' (curs. GvS)
Verder dan een ontwerp is het niet gekomen. Het OVIF werd ingehaald door een eerste voorstel voor een tiende richtlijn in 1985. Toch is aan het OVIF en de daarbij behorende toelichting relevante waarde toegekend. Van Solinge zag daarin een grote waarde bij de interpretatie van de bepalingen van het (destijds in de oorspronkelijke vorm ingediende) ontwerp van de Richtlijn GOF.4