Grenzen van het strafrecht in de voorfase
Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/5.3.2.1:5.3.2.1 Criteriale vaagheid
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/5.3.2.1
5.3.2.1 Criteriale vaagheid
Documentgegevens:
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715432:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Strijards 1995, p. 18; Smidt 1891a, p. 421 en 425.
Nan 2011, p. 153. Zie ook: Peters 1966, p. 171.
De beperkte duidelijkheid van de strafbaarstelling van dood door schuld is echter goed te begrijpen vanuit de gedachte dat de achterliggende norm vermoedelijk vrij stevig in het rechtsbewustzijn is verankerd.
Kamerstukken II 1991/92, 22268, nr. 5, p. 4-5; Smidt 1891a, p. 440 en 442. Zie ook §26 van het Duitse StGB, dat helemaal geen opsomming meer bevat.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoewel semantische onduidelijkheid dus door de maatschappelijke bepaaldheid van begrippen vaak minder problematisch is dan op het eerste gezicht wellicht lijkt, blijven er gevallen waarin discussie kan bestaan over de reikwijdte van regels. Zoals hiervoor in §5.3.1.5 aan bod kwam, kiest de wetgever er soms zelfs opzettelijk voor om de criteria voor een bepaald bestanddeel aan de rechtspraktijk en/of de rechtsgeleerdheid over te laten. Dat was bijvoorbeeld het geval voor het criterium van het ‘begin van uitvoering’ bij poging en ook van voorbereiding heeft de wetgever geen echte definitie gegeven.1 Paradoxaal genoeg kan echter worden volgehouden dat de gedraging bij veel voorfasedelicten nog altijd veel duidelijker is omschreven dan bij veel klassieke, materieel omschreven krenkingsdelicten. Bij dood door schuld wordt bijvoorbeeld helemaal geen gedraging omschreven.2 De voorzienbaarheid van het intreden van aansprakelijkheid kan in een concreet geval dan nauwelijks worden gevonden in de tekst van de bepaling en is in hoge mate afhankelijk van de interpretatie van het subjectieve bestanddeel culpa en de gehanteerde causaliteitsleer.3Artikel 46 Sr somt daarentegen juist zeer nauwkeurig en concreet op welke middelen voorbereidingsmiddelen zijn en welke handelingen voorbereidingshandelingen. Bij deze opsomming is bovendien aansluiting gezocht bij de bestaande uitlokkingsmiddelen (artikel 47 lid 1 sub 2 Sr), die in 1881 ook juist limitatief zijn opgesomd om zo meer rechtszekerheid te bieden dan het vergelijkbare artikel 48 van het Wetboek van de Noord-Duitse Bond, dat door toevoeging van de restcategorie ‘oder durch andere Mittel’ geen limitatieve opsomming van uitlokkingsmiddelen bevatte.4 Dat de opsommingen tamelijk uitgebreid zijn, ondervangt bovendien veel potentiële interpretatieproblemen. Criteriale vaagheid van individuele voorbereidingsmiddelen is daardoor bijvoorbeeld weinig problematisch, omdat vooral van belang is of een bepaald middel onder de gehele opsomming van voorbereidingsmiddelen valt. Onder welke categorie het middel precies moet worden geschoven, doet er juridisch veel minder toe en blijft ook vaak buiten beschouwing. Datzelfde gaat ook op voor de voorbereidingshandelingen en voor de opsomming ‘gelegenheid, middelen of inlichtingen’ bij training voor terrorisme (artikel 134a Sr) en financiering van terrorisme (artikel 421 Sr).