Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie
Einde inhoudsopgave
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/1.7.5:1.7.5 Het opportuniteitsbeginsel en het materiële strafrecht
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/1.7.5
1.7.5 Het opportuniteitsbeginsel en het materiële strafrecht
Documentgegevens:
Dr. W. Geelhoed LL.M., datum 19-09-2013
- Datum
19-09-2013
- Auteur
Dr. W. Geelhoed LL.M.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het opportuniteitsbeginsel heeft echter niet alleen gevolgen voor het systeem van het formele strafrecht, maar ook voor het materiële strafrecht. Door het bestaan ervan kan immers tot op grote hoogte worden vertrouwd op een prudent gebruik van de ruime strafvorderlijke bevoegdheden van de handhavingsinstanties. Wanneer een vervolgingsverplichting zou bestaan, dienen gedragingen die niet strafwaardig zijn uit het materiële strafrecht te worden gehouden, wat bij het aanvaarden van het opportuniteitsbeginsel niet nodig is. In dat geval kan een vage grens bestaan tussen strafbaar en niet-strafbaar gedrag, ook omdat het om in twijfelgevallen niet verplicht is te vervolgen. Enige zekerheid kan ontleend worden aan de zelfbinding van het om aan aanwijzingen en richtlijnen, die tot gevolg kunnen hebben dat de materiële rechtspositie van verdachten sterker door beleidsregels dan door wetgeving wordt bepaald. Een belangrijke vraag daarbij is in hoeverre de inhoud van het materiële strafrecht betekenis heeft voor de keuzes die in de toepassing van het opportuniteitsbeginsel worden gemaakt, zowel in concrete zaken als in het algemene vervolgingsbeleid. Een antwoord op die vraag is afhankelijk van de omvang van beleidsvrijheid die uit het opportuniteitsbeginsel wordt afgeleid, waarbij in dit onderzoek tevens de vraag wordt gesteld of die beleidsvrijheid varieert per delict of per delictscategorie. Of het materiële strafrecht het strafvorderlijk beleid informeert en hoe dat in zijn werk gaat, wordt daarom in het kader van dit onderzoek behandeld, waarbij met name de betekenis van het Europese recht voor de verhouding tussen het opportuniteitsbeginsel en het materiële strafrecht van belang is.
De verhouding tussen het materiële strafrecht en de handhaving daarvan is echter mede problematische vanwege het feit dat het optreden van verschillende wetgevers, zowel lokale, nationale als Europese, zorgt voor een afnemende materieelrechtelijke consistentie, hetgeen gevolgen heeft voor de strafrechtelijke handhaving. Harmonisatie van materieel strafrecht in Europees verband zou bijvoorbeeld kunnen dwingen tot een minder afstandelijke positie van de vervolgende overheid ten opzichte van het materiële strafrecht, vanwege het vereiste dat geharmoniseerde bepalingen effectief moeten worden gehandhaafd. Dat is althans een mogelijke uitkomst van de discussie waarop in paragraaf 1.2.2 werd geduid, waaruit de spanning naar voren komt die het opportuniteitsbeginsel oproept ten aanzien van op Europees niveau geharmoniseerde strafbaarstellingen. De vijfde deelvraag luidt daarom: wat is de verhouding tussen het opportuniteitsbeginsel en het materiële strafrecht in het licht van de verplichting tot implementatie van Europees recht? Deze deelvraag wordt behandeld in hoofdstuk 6.