Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/2.5.1
2.5.1 Betrouwbaarheid en geloofwaardigheid
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Het ultieme voorbeeld is DNA-onderzoek waarbij deskundigen soms uitspraken kunnen doen die een zeer hoge mate van waarschijnlijkheid hebben.
De term ‘gerechtvaardigd geloof’ is ontleend aan de epistemologische literatuur waarin kennis (knowledge) wordt gedefinieerd als ‘true justified belief’. Gettier heeft laten zien dat deze definitie niet sluitend is Gettier 1963, p. 121-123.
In deskundigenrapportages is het gebruikelijk dat de deskundige zelf al iets zegt over de waarschijnlijkheid van de juistheid van zijn conclusies. De rechter hoeft zich daar niet meer over te buigen, maar moet zich wel een oordeel vormen over de deskundigheid van de deskundige en de door hem toegepaste methoden.
Zie § 3.4.3.
Zie § 10.4.2.1.
Laudan 2006, p. 123.
Er staat een aantal alternatieven ter beschikking: kwaliteit, waarachtigheid/ waarheidsgetrouwheid, validiteit, accuratesse (in de zin van overall accuracy) en geloofwaardigheid.
‘Reliability implies functional efficacy’ (Ho 2008, p. 66).
In het Belgisch-Nederlands geldt het woord betrouwen als synoniem voor vertrouwen.
Zie § 6.4.1.
Jansen 2004, p. 23.
We zien hier een parallel met de wijze waarop het begrip ‘waar’ wordt gehanteerd. Zie § 2.2.2.
Rosenthal 2002, p. 337.
Zie Schum 1994, p. 66.
Laudan 2006, p. 120
Het ligt in feite al in de taal zelf besloten, in de zin dat niet gebruikelijk is om te spreken van ‘waar bewijs’, maar wel van geldig of betrouwbaar bewijs. Vgl. Nijboer 2011, § 1.3.4, voetnoot 79.
Elffers & Van Koppen 2002, p. 1009.
Zo stelt de Hoge Raad dat een getuigenverklaring alleen tot het bewijs mag bijdragen indien deze ‘overeenkomstig de waarheid en betrouwbaar is afgelegd’. Het is heel waarschijnlijk dat de Hoge Raad hier consistent bedoelt. Zie voor nadere analyse § 10.4.2.
Nijboer 2009, p. 16, voetnoot 7 en Broeders 2003, p. 42.
Het kan zijn dat deze incompleet is of op wezenlijke onderdelen onjuist, terwijl een deel van de verklaring wel blijkt te kloppen. Een oplossing die sommige auteurs kiezen is om te spreken van algehele accuratesse (overall accuracy). Zie verder § 6.3.1.
Zie ook Anderson, Schum & Twining 2005, p. 385. Zij gebruiken de term betrouwbaar uitsluitend in relatie tot de herhaalbaarheid of consistentie van de resultaten (dus in zijn algemeen methodologische betekenis). Zij spreken in relatie van testimoniaal bewijs van credible of believable en stellen dat reliability in dit verband ten onrechte als synoniem wordt gebruikt.
Ook in de jurisprudentie komen we dit begrippenpaar tegen. Zie bijv. EHRM 18 maart 2013, nr. 38623 (Pichugin t. Rusland), § 210, EHRM 13 maart 2012, nr. 5605/04, EHRC 2012, 109 (Karpenko t. Rusland), § 76 en EHRM 18 maart 1997, nrs. 21363/93, 21364/93 en 22056/93, NJ 1997, 635, m.nt. Knigge (Van Mechelen e.a. t. Nederland), § 62.
Rosenthal koppelt de geloofwaardigheid vervolgens geheel aan de persoon van de getuige (Rosenthal 2002, p. 337).
De term zal echter wel worden gebruikt bij de uiteenzetting van de jurisprudentie van de Hoge Raad en maatstaven die de feitenrechter aanlegt bij de waardering van de inhoud van de getuigenverklaring.
In dat laatste geval betreft het dus de perceptie van de gebruiker van de waarheidsgetrouwheid. Vgl. Schum 1994, p. 66.
De rechter die een concreet bewijsstuk krijgt gepresenteerd en daaruit feiten of premissen wil afleiden om zijn bewijsbeslissing op te steunen, zal zich een oordeel trachten te vormen over de mate waarin de inhoud van het bewijsmateriaal correspondeert met de werkelijkheid. Daarbij stuiten we direct op het probleem omtrent het kennen van de werkelijkheid. Zekerheid over de juistheid van een getuigenverklaring of de herkomst van een spoor valt niet te verkrijgen. Dat wil vanzelfsprekend niet zeggen dat dit de rechter ontslaat van de verplichting om naar de inhoud van individuele bewijsstukken te kijken. Uitgaande van de correspondentietheorie van waarheid zal de rechter alleen niet kunnen zeggen dat een bewering van een getuige of een conclusie van een deskundige ‘waar’ is. Echter, hij kan aan bepaalde uitspraken wel een hogere mate van waarschijnlijkheid voor wat betreft de juistheid daarvan toekennen dan aan andere.1 De rechter zal een inschatting moeten maken van de mate waarin gerechtvaardigd geloof2 kan worden gehecht aan bewijsmateriaal.3 De notie van rechtvaardiging staat daarbij centraal: zijn er goede redenen om aan te nemen dat de inhoud van het bewijsmateriaal overeenkomt met de werkelijkheid? Dit laatste moet voor tastbaar bewijs iets anders worden geformuleerd: zijn er goede redenen om aan te nemen dat het bewijsstuk de werkelijkheid adequaat weergeeft of – als het gaat om objecten (zoals het vermeende moordwapen) – zijn er goede redenen om aan te nemen dat het authentiek is (dat wil zeggen: is het waar het voor doorgaat)? De kwestie onder welke omstandigheden we gerechtvaardigd zijn om geloof te hechten aan getuigenbewijs wordt elders geadresseerd.4 Het gaat hier om de vraag welk concept de hiervoor beschreven problematiek het beste dekt en kan dienen als (abstracte) toetsingsmaatstaf voor de rechter.
Als gezegd, in het juridische domein wordt in relatie tot de kwaliteit van bewijsmateriaal veelal de term betrouwbaarheid (in het Engels: reliability) gebruikt. Er wordt gestreefd naar het gebruik van ‘betrouwbare’ bronnen ten behoeve van het verkrijgen van ‘betrouwbare’ kennis. De term betrouwbaar wordt echter – zowel in het dagelijks taalgebruik als in de wetenschap – op verschillende manieren uitgelegd. Ook onder juristen bestaat geen overeenstemming over wat precies onder het begrip moet worden verstaan. Er doen zich verschillende problemen voor. Het eerste probleem is dat betrouwbaarheid een eigenschap is die zowel aan mensen, aan verklaringen, als aan zaken kan worden toegekend. Het tweede probleem is dat betrouwbaarheid zowel in corresponderende als in evaluerende zin wordt gebruikt. Het derde probleem is dat in onder meer de sociale wetenschappen betrouwbaarheid een andere betekenis heeft dan in het recht. Deze drie problemen worden in deze paragraaf besproken. De reden dat zo uitvoerig bij het begrip betrouwbaarheid wordt stilgestaan, is dat dit de centrale toetsingsmaatstaf lijkt te zijn als het gaat om getuigenverklaringen.5 Dit boek dankt daaraan ook zijn titel. Laudan duidt het concept betrouwbaarheid in zijn boek Truth, Error and Criminal Law: An Essay in Legal Epistemology als een metaprincipe.6 Zonder betrouwbare bronnen is waarheidsvinding namelijk onmogelijk. Zoals hierna echter duidelijk zal worden, wordt het begrip betrouwbaarheid op zoveel verschillende manieren gebruikt dat begripsverwarring onvermijdelijk is. Er zal om die reden moeten worden gekeken naar alternatieve begrippen.7
Om met het eerste probleem te beginnen: het predicaat betrouwbaar kan aan verschillende dingen worden toegekend, maar heeft dan wel een enigszins andere connotatie. Wanneer we de Van Dale Groot woordenboek hedendaags Nederlands naslaan, zien we dat onderscheid wordt gemaakt tussen het gebruik van het woord betrouwbaarheid ten aanzien van personen, inlichtingen en zaken. In relatie tot personen heeft betrouwbaarheid de betekenis van ‘te vertrouwen’. Betrouwbaarheid van personen gaat volgens de Van Dale over vertrouwen, ‘zo dat men zich erop kan verlaten’. Het kan dan in verband worden gebracht met begrippen als solide, degelijk, eerlijk en gewetensvol. Van een persoon die betrouwbaar is, kan men verwachten dat hij de klus klaart.8 Zo is in de sport een betrouwbare sluitpost een aanduiding voor een goede keeper (die veel ballen tegenhoudt). In relatie tot inlichtingen heeft het woord betrouwbaar de betekenis van geloofwaardig. Als iets uit betrouwbare bron is verkregen, kan daaraan geloof worden gehecht, zo volgt uit de contextbeschrijving. Betrouwbaar is in die zin een persoon die bij herhaling bruikbare inlichtingen verschaft. In relatie tot zaken is betrouwbaarheid volgens de Van Dale synoniem voor deugdelijkheid. Duidelijk is dat het woord betrouwbaar in het Nederlands een sterke verwantschap met het woord vertrouwen, 9 net als in het Engels waar het woord reliable afgeleid van het werkwoord to rely on. Wanneer we in het Nederlands een bewering of persoon als betrouwbaar aanduiden in relatie tot inlichtingen, dan wordt daarmee in feite gezegd dat op de juistheid van die bewering respectievelijk de mededelingen afkomstig van die persoon kan worden vertrouwd. Het probleem is echter dat de rechtspsychologie ons leert dat de betrouwbaarheid van een persoon niet zoveel zegt over de juistheid van diens verklaringen. Immers, een persoon kan geheel te goeder trouw een onjuiste verklaring afleggen. Voorts geeft het feit dat iemand in het verleden juiste verklaringen heeft afgelegd of een smetteloze reputatie heeft, geen garantie voor de juistheid van de afgelegde verklaringen. Het recht erkent dat ook. Niettemin komen we het begrip betrouwbaar ook tegen in relatie tot personen. Er is echter niet zoiets als een betrouwbare getuige. Echter, de (vermeende) oprechtheid van de verklarende persoon is wel een factor die kan worden meegewogen bij de beslissing om al dan niet geloof te hechten aan de verklaring van een getuige.10 In de Duitse literatuur wordt onderscheid gemaakt tussen Glaubhaftigkeit en Glaubwurdigkeit, waarbij de eerste term betrekking heeft op de getuige zelf en de tweede op de afgelegde verklaring.11
Het tweede probleem is dat juristen onder het begrip betrouwbaar in relatie tot verklaringen ook verschillende dingen verstaan. Meestal wordt daarbij gerefereerd aan de relatie tussen de inhoud van het bewijsstuk en de werkelijkheid. Het hangt van de context af wat de precieze betekenis van het begrip is. De ene keer wordt het begrip gebruikt in ‘corresponderende’ zin en de andere keer in meer ‘evaluerende’ zin.12 Bij betrouwbaarheid gaat het dan over de mate waarin de inhoud van het beweerde de werkelijkheid benadert. Een auteur die de correspondentie met de werkelijkheid centraal stelt in zijn definitie van betrouwbaar bewijs, is Rosenthal. Hij definieert betrouwbaar bewijs als volgt: ‘Evidence is reliable if it is what it is purported to be.’13 Met het woord betrouwbaar of reliable verwijst hij kennelijk naar de intrinsieke kwaliteit van het bewijsmateriaal, waarbij de mate waarin de inhoud van het bewijsmateriaal een correcte of waarheidsgetrouwe afspiegeling vormt van de werkelijkheid centraal staat. Dit is bijvoorbeeld het geval in de zin ‘getuigen kunnen onder omstandigheden een betrouwbare verklaring afleggen’. Hier wordt gedoeld op het waarheidsgehalte van eventuele door getuigen af te leggen verklaringen en is betrouwbaar synoniem voor ‘waar’ of ‘waarheidsgetrouw’. In meer evaluerende zin ziet het begrip op de mate van gerechtvaardigd geloof dat aan de inhoud van een verklaring kan worden gehecht. De vraag is dan: kan – op basis van objectieve gegevens – gerechtvaardigd worden vertrouwd op de juistheid van het beweerde of getoonde? In die betekenis heeft het begrip betrouwbaarheid betrekking op de relatie tussen bewijsmateriaal en ‘gebruiker’ en diens perceptie van de overeenstemming tussen de inhoud van het bewijsmateriaal en de werkelijkheid.14 Een auteur die het begrip betrouwbaar op deze wijze hanteert is Laudan. Hij stelt: ‘Evidence or testimony is reliable just in case there is a solid basis for believing it is true.’15 Betrouwbaarheid is hier in feite synoniem voor geobjectiveerde geloofwaardigheid. Wanneer de term betrouwbaar wordt gebruikt in directe relatie tot het woord bewijs, dan is dat meestal in deze betekenis. We doelen dan niet op iets dat objectief ‘waar’ is (de waarheid kan toch niet worden vastgesteld), maar op iets dat geloofwaardig wordt bevonden.16
Het derde probleem is dat in de psychologie en de sociale wetenschappen het begrip betrouwbaar op een heel andere wijze wordt gebruikt. Daar is het begrip betrouwbaar gekoppeld aan de gebruikte methode of instrument en verwijst het naar de stabiliteit van het onderzoeksresultaat: geeft het instrument bij herhaling dezelfde resultaten? Het begrip validiteit daarentegen heeft betrekking op de inhoud: meet het instrument wat het beoogt te meten? In wetenschappelijk onderzoek wordt gestreefd naar het gebruik van methoden en instrumenten die zowel een betrouwbaar als een valide onderzoeksresultaat genereren. De mate waarin een onderzoeksresultaat overeenkomt met ‘de werkelijkheid’ is in deze context een kwestie van validiteit en niet van betrouwbaarheid. 17 In deze optiek is een betrouwbare getuige een getuige die bij herhaling hetzelfde verklaart. In het strafrecht wordt betrouwbaar soms ook in de betekenis van consistent gebruikt.18 Om begripsverwarring te voorkomen spreken rechtspsychologen veelal over waarheidsgetrouwheid of waarachtigheid wanneer zij doelen op het feitelijke waarheidsgehalte (dat zich in een experimentele setting anders dan in het dagelijks leven wel laat vaststellen). Echter, het begrip betrouwbaar komt men in de wetenschap en epistemologie ook tegen als overkoepelende term. Het begrip wordt dan methodologisch ruimer uitgelegd en omvat dan zowel de betrouwbaarheid als de validiteit.19
Het voornoemde maakt duidelijk dat het begrip betrouwbaar op verschillende wijzen wordt gebruikt. De vraag is dan ook of het voor analytische doeleinden wel een bruikbare term is. Wanneer alternatieven in ogenschouw worden genomen dan is er een aantal begrippen dat in aanmerking komt. De mate waarin de inhoud correspondeert met de werkelijkheid kan ook worden aangeduid met de term waarheidsgetrouwheid (of niet helemaal correct, maar wel mooier: waarachtigheid) of met accuratesse. Het probleem met het begrip accuratesse is dat dit niet geheel de lading dekt: een verklaring die op onderdelen accuraat is, hoeft niet waarheidsgetrouw te zijn.20 Voor wat betreft betrouwbaarheid in evaluerende zin zou gesproken kunnen worden van geloofwaardigheid.21 Ook dit begrip is niet onproblematisch. Ten eerste heeft het begrip geloofwaardigheid een iets andere connotatie dan betrouwbaarheid. Het klinkt mogelijk subjectiever. Het gaat echter niet om ‘gewone’ geloofwaardigheid maar om een versterkte of geobjectiveerde vorm. Immers, op het moment dat een bewijsstuk door de rechter als betrouwbaar wordt aangemerkt, dan betekent dit dat een inhoudelijke waardering heeft plaatsgevonden en de inhoud van het bewijsmateriaal op zijn correspondentie met de werkelijkheid is getoetst. Ten tweede worden in de Anglo-Amerikaanse literatuur de begrippen reliability en credibility vaak in één adem genoemd.22 Deze begrippen hebben kennelijk een verschillende betekenis. Rosenthal stelt dat de meeste Anglo-Amerikaanse juristen het onderscheid niet helder voor ogen hebben. Het is volgens hem in ieder geval terug te voeren op de Amerikaanse wijze van procederen, waarin de rechter in het kader van de toelaatbaarheidsregels in bepaalde gevallen iets moet zeggen over de betrouwbaarheid, maar het uiteindelijke oordeel omtrent de vraag of er ook geloof aan kan worden gehecht wordt overgelaten aan de jury.23 Dit is het geval bij deskundigenbewijs; de jury mag daarvan pas kennisnemen, nadat de rechter in hun afwezigheid heeft gekeken of de onderzoeksresultaten voldoende betrouwbaar zijn.
Duidelijk is dat er geen ideaal begrip voorhanden is als het gaat om het oordeel van de gebruiker over de waarheidsgetrouwheid van een verklaring of andersoortig bewijsstuk. Niettemin moet een keuze worden gemaakt. Het gaat uiteindelijk niet zozeer om het etiket, maar om de criteria die kunnen worden aangelegd om een deugdelijke inschatting van de ‘betrouwbaarheid’ van een bewijsstuk te maken. Het gaat bij de betrouwbaarheidsproblematiek in de kern om de vraag op welke gronden gerechtvaardigd geloof mag worden gehecht aan een getuigenverklaring of andersoortig bewijsstuk. Echter, doordat het begrip op zoveel verschillende wijzen wordt gebruikt en zulke sterke associaties heeft, zal deze term in relatie tot de problematiek van de totstandkoming en waardering van getuigenverklaringen niet worden gebruikt.24 In plaats daarvan zal in dit onderzoek worden gerefereerd aan de waarheidsgetrouwheid voor wat betreft de mate waarin de verklaring correspondeert met de werkelijkheid en de geloofwaardigheid voor wat betreft de mate waarin in het recht gerechtvaardigd geloof mag worden gehecht aan de inhoud van de verklaring.25 Het is daarbij nog van belang om op te merken dat verklaringen in meer of mindere mate geloofwaardig zijn. Het gaat om een glijdende schaal.