De reikwijdte van medezeggenschap
Einde inhoudsopgave
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/5.3.3:5.3.3 Medezeggenschap op basis van de structuurregeling
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/5.3.3
5.3.3 Medezeggenschap op basis van de structuurregeling
Documentgegevens:
Datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- JCDI
JCDI:ADS388515:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De in Nederland gevestigde internationale moedermaatschappij is ex art. 2:153/263 lid 3 sub b BW vrijgesteld indien een meerderheid van de werknemers in het buitenland werkzaam is en zij een houdsterfunctie vervult. De achtergrond van deze vrijstelling is dat de samenstelling van de beleidsorganen van deze vennootschappen niet alleen door de Nederlandse verhoudingen kan worden bepaald. Bovendien is de Nederlandse ondernemingsraad niet representatief genoeg voor het gehele – over de wereld verspreide – personeel, aldus de minister in de memorie van toelichting bij de Structuurwet 1970.1 Hij doelt hier op het hierboven genoemde legitimiteitsbeginsel. Indien het zwaartepunt van het concern in het buitenland ligt, is de structuurregeling aldus niet van toepassing.
Wanneer de topholding vrijgesteld is, dienen de dochtervennootschappen (in de structuurregeling ‘afhankelijke maatschappijen’ genoemd) de structuurregeling wel toe te passen. Zij zullen echter in veel gevallen onder de uitzondering van art. 2:155/ 265 BW vallen, dit omdat zij in stand worden gehouden door een rechtspersoon waarvan de werknemers in meerderheid buiten Nederland werkzaam zijn, en gebruik kunnen maken van het verzwakte regime. Dit houdt in dat de bevoegdheid tot het benoemen van het bestuur bij de AV(A) en niet bij de RVC ligt. De vennootschap kan geen beroep doen op het verzwakte regime indien het een in hoofdzaak Nederlands concern is. Dit wordt bepaald aan de hand van de tweede telling van art. 2:155/265 lid 2 BW. De eerste telling heeft alleen betrekking op de vraag of de rechtspersoon een internationale rechtspersoon is; de tweede telling heeft betrekking op het zwaartepunt van het concern. Indien het zwaartepunt van het concern in Nederland ligt, is het volledige regime (alsnog) van toepassing. Alle afhankelijke maatschappijen van deze vennootschap(pen) zijn vervolgens weer vrijgesteld.2
In veel gevallen zal er sprake zijn van de Nederland-constructie waarbij onder de topholding een subholding wordt ingesteld. Zie daarover meer in paragraaf 5.3.5.