Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/1.4.1
1.4.1 Liberalisme
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715469:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De liberale benadering vertoont overigens veel overlap met wat Kelk als de juridiseringsstroming (stroming II) in het strafrecht aanduidt (Kelk 1987, p. 266-273).
Van Gunsteren 1998, p. 17.
Mackor 2012, p. 5. De hier bedoelde invulling van het liberalisme is dus niet consequentialistisch van aard. Zo blijft het liberalisme te onderscheiden van het hierna nog te bespreken functionalisme.
Mackor 2012, p. 5; Albrecht 2003, p. 127 en 130. Zie ook: Moore 2005, p. 12 en 15; Van Kempen 2008, p. 27.
Schünemann 1978, p. 1. Het gaat dan, zoals Buruma schetst, om een visie van recht(vaardigheid) die nauw is verweven met de ethische en morele fundamenten van de samenleving, die niet door mensen wordt bepaald en die een zekere eeuwigheidswaarde heeft (Buruma 1999, p. 14). Het sociaal contract vertoont in deze benadering veel kenmerken van de visies van Locke en Rousseau.
Roxin 1997, p. 102; Peters 1986, p. 23.
Mill 1859, p. 22.
Kamerstukken II 1975/76, 13756, nr. 2, p. 37 en 38. Mols 1986, p. 281-282. Desondanks speelt de minister op dat moment met het idee om samenspanning tot deze strafbare feiten strafbaar te stellen (Kamerstukken II 1975/76, 13756, nr. 2, p. 37. Prakken & Roef 2004, p. 214-215). Uiteindelijk blijft het echter bij een idee en komt het – zelfs na de vergelijkbare treinkaping bij De Punt – niet tot wetgeving (Van der Woude 2010, p. 162; Prakken & Roef 2004, p. 215). Bij de parlementaire behandeling van de treinkaping bij De Punt is ook maar weinig aandacht voor het voorstel (Van der Woude 2010, p. 165 en voetnoot 184). Volgens Van der Woude komt het uitblijven van wetgeving overigens doordat zich in deze periode geen zogenoemd policy window heeft kunnen vormen (Van der Woude 2010, p. 184).
Mackor 2012, p. 5; De Jong & Knigge 2003, p. 20; Hol & Gribnau 1999, p. 184; Schreiber 1976, p. 58; Remmelink 1968, p. 116. Overigens heeft de liberaal er oog voor dat overheidsdwang ook indirect kan worden uitgeoefend via professionele organisaties, zoals de psychiatrische zorg (Kelk 1987, p. 272).
Pompe 1974, p. 18. Zie ook: Ten Voorde 2012b, p. 78.
Peters 1972, p. 15.
Bakker 2021, p. 4, 162-163 en 175, 183-188; Jörg, Kelk & Klip 2016, p. 119; Zevenbergen 1924, p. 36-37. Vgl. ook: Vermunt 1984b, p. 140-142 en 164. Dit idee dat er grenzen zijn aan de macht van de wetgever lijkt te zijn gesneuveld onder druk van het veiligheidsdenken (Albrecht 2003, p. 125-126). Wat dat betreft is het wellicht tekenend dat in de 14e druk van het handboek van Jörg, Kelk & Klip de door Bakker integraal geciteerde passage over de rol van de rechter in de toetsing van de strafwaardigheid van strafbaar gesteld gedrag, is geschrapt (Bakker 2021, p. 163; vgl. Jörg, Kelk & Klip 2016, p. 119-120; Jörg, Kelk & Klip 2019, p. 127).
Vgl. Kelk 1987, p. 272-273.
Pompe 1945, p. 48-49. Machtenscheiding kan dan zo worden begrepen dat inbreuken op vrijheden enkel zijn toegestaan als alle drie de staatsmachten daar unaniem mee instemmen. De staatsmachten vormen dan een trechter, waarbij iedere macht – op grond van een eigen verantwoordelijkheid en bevoegdheid om te oordelen over de strafwaardigheid van gedrag – slechts de mogelijkheid heeft de reikwijdte van het strafrecht verder te begrenzen ten opzichte van de voorgaande staatsmachten. Of, om een andere metafoor te gebruiken: op de deur naar inperking van vrijheden van burgers zit een driedubbel slot, dat alleen door de drie staatsmachten gezamenlijk kan worden geopend. De trias politica houdt immers niet in dat er drie autonome machten moeten ontstaan; het idee was juist dat de machten elkaar in toom zouden houden (Altena 2016, p. 27-28). In vergelijkbare zin menen Schaffmeister en Heijder dat bij de vaststelling van de strafbaarheid de buitengrenzen worden bepaald door de wet, waarna andere rechtsgebieden en maatschappelijke normen alleen nog voor nadere inperking (niet uitbreiding) van strafbaarheid kunnen zorgen (Schaffmeister & Heijder 1983, p. 471). Ook Fuller lijkt te menen dat de wetgever vooral buitengrenzen aangeeft (Fuller 1969, p. 63-64). In Nederland staat deze interpretatie van het idee van machtenscheiding overigens in ieder geval voor wat de rechter betreft op gespannen voet met artikel 11 van de Wet algemene bepalingen. Dat geldt overigens voor iedere variant van de regelconceptie van het legaliteitsbeginsel (Rozemond 1999, p. 120. Vgl. ook: Schreiber 1976, p. 218).
Zo ook: Mackor 2012, p. 6; Buruma 1999, p. 22. Anders: Scheltema 1989, p. 15, 18-19. Scheltema wijst op het risico dat een rechtsstaatbegrip met een dergelijke normatief-deductieve invalshoek alleen overtuigend is voor diegenen die negatieve vrijheid ook als kernwaarde zien (Scheltema 1989, p. 19-20).
Mackor 2012, p. 6; Keijzer 1982, p. 5.
Zie ook: Verbruggen 2004, p. 30.
Kelk/De Jong 2019, p. 21-22; De Jong & Knigge 2003, p. 20; Dupont 1979, p. 67-68. Preventie komt pas op de tweede plaats en mag niet tot disproportionele bestraffing of rechtsonzekerheid leiden.
Keijzer 1983, p. 17. Vgl. Schmidt 1965, p. 33.
Anders: Ashworth & Zedner 2014, p. 95; Duff 1996, p. 134.
Ashworth & Zedner 2014, p. 95.
Vgl. ook: Ashworth & Zedner 2014, p. 29.
Vgl. Ashworth & Zedner 2014, p. 39.
Dat erkennen Ashworth en Zedner zelf ook (Ashworth & Zedner 2014, p. 96).
De Jong 2021, p. 687-688; Carvalho 2017, p. 2; Mousourakis 1998, p. 71.
Yoon 2001, p. 13-16.
De Jong 2021, p. 692; Carvalho 2017, p. 2; Lacey 2016, p. 27 en 28; Vervaele 2008, p. 44; De Jong & Knigge 2003, p. 21; Fletcher 2000, p. 805; Van Gunsteren 1998, p. 17; Kelk 1987, p. 270. Vgl. Yoon 2001, p. 31-32.
Lacey 2016, p. 27; Van Gunsteren 1998, p. 17; Mousourakis 1998, p. 68.
Marshall & Duff 1998, p. 18. Zie ook: Kelk/De Jong 2019, p. 19-20; Mousourakis 1998, p. 61-64. Dat wordt ook wel het controleprincipe genoemd (Van Dijk 2008, p. 4). Vgl. ook: Fletcher 2000, p. 802-807.
Vgl. ook: Mousourakis 1998, p. 68.
Kelk 1987, p. 268.
Reijntjes 2003, p. 474; Peters 1972, p. 3 en 7.
Nan 2011, p. 25; De Jong & Knigge 2003, p. 20; Yoon 2001, p. 17; Peters 1973, p. 13; Remmelink 1968, p. 116.
Peters 1973, p. 13.
Nan 2011, p. 25 en 26; Peters 1973, p. 12 en 14.
Carvalho 2017, p. 10-11; Groenhuijsen 1982, p. 283 en 285; Peters 1972, p. 12 en 13.
Pompe 1945, p. 47.
Pompe 1945, p. 47.
Van der Wilde 2013, p. 80.
Een eerste perspectief van waaruit naar strafrechtelijke beginselen kan worden gekeken, is dus het liberale perspectief. Centraal in het liberale ideaaltype staat de bescherming van klassieke vrijheidsrechten van individuele burgers tegen inbreuken door de overheid.1 De samenleving en het strafrecht zijn in deze visie bedoeld om de individuele rechten van burgers te beschermen.2 Vrijheid is daarbij geen middel om een nader doel mee te bereiken, maar een doel op zich.3 Het gaat dan primair om negatieve vrijheid; de overheid dient zich zoveel mogelijk te onthouden van begrenzingen van individuele vrijheden.4 Op grond van het sociaal contract heeft de burger zijn natuurlijke, universele, fundamentele vrijheden namelijk slechts aan de overheid overgedragen voor zover dat absoluut noodzakelijk is.5 De inzet van het repressieve strafrecht moet daarom niet alleen aan strikte procedurele regels worden gebonden, maar ook – en misschien wel vooral – inhoudelijk zo beperkt mogelijk blijven.6 De staat mag alleen leed toevoegen als dat gepast en noodzakelijk is om de vrijheid van andere burgers te beschermen. In de woorden van Mill:
“[…] the only purpose for which power can be rightfully exercised over any member of a civilized community, against his will, is to prevent harm to others.”7
Het gaat dan vooral om inbreuken op klassieke grondrechten en zodoende de meest ernstige schade en het ernstigste letsel. Illustratief voor de liberale opvatting is een opmerking van de Minister van Justitie naar aanleiding van de treinkaping bij Wijster en de daarmee samenhangende overval op het Indonesische consulaat-generaal in Amsterdam door een groep Zuid-Molukkers in 1975. De minister stelde toen dat de bevoegdheden die de politie en de inlichtingendiensten nodig zouden hebben om dergelijke incidenten te allen tijde te voorkomen, niet verenigbaar zouden zijn met de rechtsstaatgedachte. De minister benadrukte daarmee dat men in een democratische rechtsstaat de moed moet hebben kwetsbaar te blijven.8
De liberaal is zeer machtskritisch en heeft veel oog voor de asymmetrische machtsverhouding tussen staat en burger en de gevaren die deze met zich brengt voor de vrijheden van burgers.9 Dat wordt mooi geïllustreerd door Pompe, die schrijft dat de burger “fier [is] op zijn vrijheid en steeds bekommerd [is] om deze vrijheid, zich verzekerend van politieke waarborgen tegen de overheidspersonen die zijn onafhankelijkheid kunnen bedreigen.”10 Staat en recht moeten daarom scherp worden onderscheiden en despotisme moet worden voorkomen.11 De fundamentele vrijheden van burgers staan niet ter vrije beschikking van de wetgever, of deze nu democratisch is gekozen of niet.12 De gelding van klassieke grondrechten kan immers niet afhankelijk zijn van de instemming van een meerderheid in de samenleving. Dat zou deze rechten in gunsten veranderen en het hele concept van grondrechten zinloos maken.13 De machtenscheiding moet in een liberale rechtsstaat dan ook zo worden ingericht dat burgers ook worden beschermd tegen de wetgevende macht.14 Een burger in een liberale rechtsstaat heeft geen vrijheid omdat de samenleving hem die vrijheid gunt, maar omdat hij mens is. Vanuit liberaal oogpunt is de rechtsstaat dan ook te onderscheiden van de democratie; de term ‘democratische rechtsstaat’ is in deze visie zeker geen pleonasme.15
Met de terughoudende inzet van het strafrecht hangt ook nauw samen dat het strafrecht in de liberale visie een naar zijn aard reactief systeem is, dat in principe reageert op reeds ingetreden gevolgen en in beginsel niet toekomstgericht is.16 Het uitgangspunt is een gevolgstrafrecht waarvan de reikwijdte wordt ingeperkt – niet uitgebreid! – door de principes van het schuldstrafrecht.17 Vergelding vormt vanuit dit perspectief het primaire strafdoel, omdat daarmee disproportionele straffen worden voorkomen en rechtszekerheid kan worden geboden.18 De focus op gevolgen sluit ook goed aan op dit strafdoel en de klassieke lex talionis (oog om oog, tand om tand), nu de veroorzaakte schade of het toegebrachte letsel relatief objectieve, duidelijke aanknopingspunten vormen voor de beoordeling van de proportionaliteit van de straf.19
Anders dan sommige auteurs menen, is het ook niet per se vreemd als de wet wel het veroorzaken van schade en letsel strafbaar stelt, maar niet pogingen daartoe of gevaar daarvoor.20 Inderdaad ligt het voor de hand dat, als gedrag ernstig genoeg is om te bestraffen, de staat zich ervoor moet inzetten om dat gedrag te voorkomen.21 Dat dat echter door middel van strafbaarstelling van de voorfase van dat gedrag moet gebeuren, is veel minder evident dan onder anderen Duff, Ashworth en Zedner suggereren.22 Het willen kunnen voorkomen van gedrag is iets fundamenteel anders dan het willen kunnen bestraffen van gedrag.23 Bovendien is strafbaarstelling van voorafgaande gedragingen niet per se nodig om gedrag te kunnen voorkomen. Zo wordt wel gesuggereerd dat de strafbaarstelling van de voltooide gedraging op zichzelf al preventieve effecten kan hebben door aan te kondigen wat burgers boven het hoofd hangt als ze het verboden gedrag verrichten.24
Het uitgangspunt voor strafrechtelijke aansprakelijkheid is in deze benadering de vrije, rationele keuze en het mensbeeld van de welbekende homo economicus.25 Iedere burger is zelf verantwoordelijk voor zijn eigen handelingen en het individu moet worden beschermd tegen inbreuken die in het belang van de (meerderheid van de) gemeenschap op zijn of haar vrijheid worden gemaakt, zodat de staat zich terughoudend behoort op te stellen.26 Een burger moet als vrij en rationeel handelend individu worden behandeld en zijn autonomie en vrije wil moeten worden gerespecteerd.27 Het best verdedigbare standpunt is daarbij dus nadrukkelijk niet dat burgers in de praktijk daadwerkelijk altijd rationeel handelen, maar dat de overheid burgers – gelet op hun menselijke waardigheid en autonomie – als waren zij rationeel handelende individuen moet behandelen. Dat normatieve (in plaats van empirische) uitgangspunt voorkomt dat de overheid zich al te paternalistisch op kan stellen en zorgt ervoor dat burgers – in ieder geval in theorie – zelf de eindcontrole hebben over het intreden van strafrechtelijke aansprakelijkheid.28 Een tweede belangrijke waarborg daarvoor kan worden gevonden in het idee van keuzeaansprakelijkheid: enkel als een burger vrijwillig kiest om een bepaalde verboden gedraging te verrichten, mag de overheid reageren. De overheid mag de vrijheden van haar burgers dus niet inperken als die burgers geen redelijke mogelijkheid hadden om die vrijheidsinperking te voorkomen.29 Zo behoudt de burger steeds zelf de controle over het bezit van zijn vrijheden.30 Dat geldt ook voor een (vermeende) crimineel; ook deze is in de liberale visie een rechtssubject en burger op wie algemene rechtsbeginselen van toepassing zijn.31
Het strafrecht is er in de liberale visie dus niet enkel of primair om de burger tegen zijn (potentieel criminele) medeburgers te beschermen, maar vooral om de burger tegen de overheid te beschermen.32 Rechtsbeginselen dienen vanuit liberaal oogpunt dan ook precies dat doel: de bescherming van het individu tegen de staat.33 Daaruit volgt enerzijds dat ieder van de in §1.2.1 genoemde beginselen een (nadere) beperking aanbrengt op het handelen van de overheid.34 Dat sluit ook goed aan bij de syllogistische visie op de verhouding tussen beginselen, zoals geschetst door Ferrajoli. Anderzijds volgt daaruit logischerwijs dat rechtsbeginselen ook boven wetten en officiële instanties moeten gaan; deze kunnen rechtsbeginselen wel (partieel) codificeren, maar niet inperken of wijzigen: een beginsel is altijd meer dan zijn codificatie.35 Als het geldende recht in de praktijk niet aansluit op deze beginselen, leidt dat niet tot de verwerping van de beginselen, maar tot de conclusie dat het geldende recht moet worden gewijzigd.36 Pompe schrijft daarover beeldend dat rechtsbeginselen voor juristen een vergelijkbare functie hebben als de poolster of een kompas heeft voor een schipper; ze bepalen op hoofdlijnen de koers en geven in algemene zin de juiste richting aan, maar vertellen niet specifiek welk pad moet worden gevolgd, zodat de gebruiker steeds voor ogen moet houden dat in concrete gevallen koerscorrecties nodig zijn om zandbanken en klippen te omzeilen en om af en toe met stroomversnellingen mee te varen.37 Tegelijk moeten zowel de schipper als de jurist nadrukkelijk niet alleen met de stroom meevaren; waar nodig moeten ze juist ook tegen de stroom ingaan om in de juiste richting te blijven varen.38 Van der Wilde meent bijvoorbeeld ook dat de overheid de dure plicht heeft pal te staan voor de verworvenheden van de rechtsstaat en benadrukt dat de rechtsstaat niet afhankelijk kan zijn van de politieke waan van de dag.39