Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/1.7.2
1.7.2 Belastingdienst, overheid en burger(s)
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661237:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Zie artikel 2 lid 1 Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 (tekst 1 januari 2022). Over de (organisatie van de) Belastingdienst zie https://over-ons.belastingdienst.nl/ontdek-meer-over-de-belastingdienst/organisatie-belastingdienst-hoe-we-georganiseerd-zijn/(laatstelijk geraadpleegd 18 januari 2022) en het Organisatiebesluit Ministerie van Financiën 2020 (tekst per 1 januari 2022) via https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-financien/documenten/besluiten/2020/01/01/organisatie--en-mandaatbesluit-ministerie-van-financien (laatstelijk geraadpleegd 18 januari 2022). Over de bestuurlijke ontvlechting van de Belastingdienst, waardoor Toeslagen en Douane geen onderdeel meer vormen van de Belastingdienst maar zelfstandige onderdelen zijn geworden van het Ministerie van Financiën, zie Jaarplan 2022, p. 44; zie https://over-ons.belastingdienst.nl/versterken-aansturing-belastingdienst/, laatstelijk geraadpleegd 18 januari 2022). Over de taken van de Belastingdienst zie Rapportage inventarisatie taken Belastingdienst 2022.
Zie over de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de inspecteur en ontvanger de toelichting van de Belastingdienst via https://www.taxlive.nl/nl/documenten/nieuws/bevoegdheden-en-verantwoordelijkheden-inspecteur-en-ontvanger/(laatstelijk geraadpleegd 18 januari 2022).
Over hetgeen behoort tot de overheid kan worden gediscussieerd, maar mijn doel is niet om het begrip overheid te problematiseren en ik hanteer een generieke definitie die hier volstaat. Vanuit de burger wordt overigens niet steeds onderscheid gemaakt tussen de verschillende overheidsinstituties, zie Stevens 2018, par. 2.2: ‘Voor de doorsnee burger speelt het verschil tussen de juridische instituties immers geen rol. Het gaat om “de” overheid, ongeacht of de wrevel en boosheid is opgeroepen door de wetgever, de uitvoerder of de rechter. Over het begrip ‘overheid’ in het kader van informatieverstrekking in het algemeen zie Van de Sande 2019, p. 34-36.
Gribnau 2018.
Jaarverslag Nationale ombudsman 2015, par. 1.4. Scheltema 2019a, par. 2; Scheltema 2018, p. 122-123.Zie voor een begripsmatige analyse van het begrip burger in verhouding tot de overheid uitgebreid in Schram 2012, hoofdstuk 1; Van de Sande 2019, par. 4.7.11.
Overigens bestaan tussen taalgebruikers ook verschillen, zoals in taalvaardigheid en geletterdheid. Ik ga in het onderzoek uit van een taalgebruiker met een gemiddelde taalvaardigheid en geletterdheid. Zie Van Hout 2019b over begrijpelijkheid en laaggeletterdheid.
Met de Belastingdienst bedoel ik de rijksbelastingdienst die in Nederland is belast met de heffing en inning van rijksbelastingen. Dat is er één: de Belastingdienst.1 De Belastingdienst valt onder het gezag van de Minister van Financiën en de staatssecretaris van Financiën (per 2022: de staatssecretaris Fiscaliteit en Belastingdienst). De inspecteur is verantwoordelijk voor het heffen van rijksbelastingen en heeft de bevoegdheid om belastingaanslagen op te leggen (art. 2 lid 3 sub b en 11 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR).2
Het begrip ‘overheid’ vat ik op als het instituut waaraan in Nederland het gezag is toegekend. Daartoe versta ik in de context van dit boek zowel de wetgevende macht als de uitvoerende macht en niet de rechterlijke macht.3 Met burgers bedoel ik in dit onderzoek natuurlijke personen (‘mensen van vlees en bloed’), in een specifieke relatie tot de overheid (burger) en in hun voor het belastingrecht relevante hoedanigheid (belastingplichtige). De burger die in dit onderzoek als uitgangspunt wordt genomen is een gemiddelde persoon met een gemiddelde, dus doorgaans relatief beperkte, kennis van het (belasting)recht.4 Deze benadering is overigens een simplificatie van de werkelijkheid: ‘de’ burger bestaat niet.5 Mede om die reden is de taal- en communicatiewetenschap als inkleuring van het burgerperspectief adequaat, aangezien burgers in allerlei opzichten verschillen, maar zij hun hoedanigheid als ‘taalgebruiker’ gemeenschappelijk hebben.6