De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip
Einde inhoudsopgave
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/1.5:1.5 Onderzoeksmethode
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/1.5
1.5 Onderzoeksmethode
Documentgegevens:
S. Said, datum 13-12-2021
- Datum
13-12-2021
- Auteur
S. Said
- JCDI
JCDI:ADS583329:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Koopmans 1962.
Boot 2004.
Aerts 2007.
Van der Wiel-Rammeloo 2008.
Coehorst 1977.
Bruggeman 2010.
Fleuren 2009.
Zie hierover (in sociaalrechtelijke context): Bennaars, Diepenbach & Jovović 2017, TvO 2017/3.
Waar nodig wordt in hoofdstuk 4 – waarin het wettelijk kader uiteengezet wordt – wel stilgestaan bij arresten van de Hoge Raad die inzicht bieden in de uitleg van de criteria van art. 7:610 BW.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De onder 1.3 geformuleerde hoofd- en deelvragen worden grotendeels beantwoord aan de hand van literatuur en de wet(sgeschiedenis), zodat dit onderzoek hoofdzakelijk juridisch-dogmatisch van aard is. De vijfde en zesde deelvraag worden (mede) beantwoord aan de hand van jurisprudentieonderzoek, zodat dit onderzoek tevens een empirisch element kent. Hierna volgt een toelichting op de gebruikte bronnen en de eventuele daaraan verbonden beperkingen.
Literatuur
Voor dit onderzoek is gebruik gemaakt van literatuur in de breedste zin des woords, zodat niet alleen gebruik is gemaakt van wetenschappelijke literatuur, maar ook van onderzoeken van beleidsmatige aard (‘grijze literatuur’). Publicaties waarin de kwalificatievraag centraal stond zijn voor dit onderzoek van bijzonder belang, nu dit onderzoek voor een belangrijk deel op die publicaties voortbouwt. Ten eerste de dissertatie van Koopmans uit 1962 (‘De begrippen werkman, arbeider en werknemer’), waarin Koopmans uitvoerig stilstaat bij ‘de begripsomschrijvingen waaraan de toepasselijkheid van het arbeidsrecht naar de kant van de arbeidende mens is vastgeknoopt’.1Een andere relevante publicatie is de dissertatie van Boot uit 2004 (‘Arbeidsrechtelijke bescherming’), waarin onder meer (de totstandkomingsgeschiedenis van) de arbeidsovereenkomst en de overeenkomst van opdracht, en de materieelrechtelijke positie van werkenden wordt behandeld.2 Voorts is ook de dissertatie van Aerts uit 2007 voor dit onderzoek van belang (‘De zelfstandige in het sociaal recht: de verhouding tussen juridische status en sociaal-economische positie’).3 In deze dissertatie wordt de materie niet alleen dogmatisch behandeld, maar wordt de problematiek aan de hand van diepte-interviews tevens vanuit een sociologische invalshoek beschouwd. Een andere dissertatie die voor dit onderzoek in het bijzonder van belang is, is de dissertatie van Van der Wiel-Rammeloo uit 2008 (‘De dienstbetrekking in drievoud’), waarin zij de beantwoording van de kwalificatievraag in het arbeidsrecht, socialezekerheidsrecht en fiscaal recht behandelt.4 Tot slot wordt gewezen op de dissertatie van Coehorst uit 1977 (‘De opdracht (overeenkomst tot het verrichten van enkele diensten en lastgeving)’)5en de dissertatie van Bruggeman uit 2010, (‘De koop-/aannemingsovereenkomst in breed perspectief’).6 De genoemde onderzoeken bieden ieder op eigen wijze relevante inzichten voor dit onderzoek. Dit onderzoek vormt een actualisatie van en een aanvulling op de hiervoor geschetste existing body of knowledge.
Wetsgeschiedenis
Voor de beantwoording van de tweede deelvraag wordt aan de hand van parlementaire stukken in kaart gebracht vanuit welke achtergronden en bedoelingen het wettelijk kader tot ontwikkeling is gekomen. Daarbij wordt op voorhand opgemerkt dat deze wetshistorische interpretatiemethode een aantal belangrijke beperkingen kent. Zo bevatten parlementaire stukken de (veelal uiteenlopende) visies van verschillende politieke partijen, die niet zonder meer met elkaar overeenstemmen. In de literatuur is de wetsgeschiedenis daarom ook wel aangeduid als ‘een grabbelton (…) die voor elk wat wils biedt’.7 Bij de interpretatie van de geraadpleegde parlementaire stukken zal dan ook de nodige terughoudendheid worden betracht.8
Jurisprudentie
Hoofdstuk 5 en hoofdstuk 6 zijn beide gericht op de kwalificatievraag in de arbeidsrechtelijke rechtspraak. In hoofdstuk 5 wordt stilgestaan bij de wijze waarop het toetsingskader in de rechtspraak van de Hoge Raad tot ontwikkeling is gekomen. Daarbij wordt uitsluitend stilgestaan bij arresten waarin de Hoge Raad zich inhoudelijk heeft uitgelaten over de te hanteren toetsingswijze bij de beantwoording van de kwalificatievraag. Uitspraken waarin enkel werd stilgestaan bij de uitleg van een (of meerdere) van de elementen van artikel 7:610 BW, blijven in dat hoofdstuk derhalve buiten beschouwing.9 In hoofdstuk 6 wordt vervolgens in kaart gebracht op welke wijze de kwalificatievraag in de feitenrechtspraak wordt beantwoord en hoe de beginselen partijautonomie en ongelijkheidscompensatie in die beantwoording terugkomen. Een en ander is onderzocht aan de hand van 242 uitspraken van rechters in eerste en tweede aanleg waarin de kwalificatievraag ex artikel 7:610 BW centraal stond. Het gaat daarbij om uitspraken gewezen na het arrest Groen/Schoevers uit 1997 en tot het arrest X/Gemeente Amsterdam in 2020. Tevens wordt in dit hoofdstuk stilgestaan bij de na X/Gemeente Amsterdam gepubliceerde kwalificatierechtspraak (op het moment van afronden van dit onderzoek: 26 uitspraken). Voor een nadere toelichting op de daartoe gehanteerde verzamel- en onderzoeksmethode en de daaraan verbonden beperkingen, wordt verwezen naar hoofdstuk 6. Waar voor het overige – dus: buiten hoofdstuk 5 en hoofdstuk 6 – in dit onderzoek naar rechtspraak is verwezen, geldt dat daar geen systematische verzamelwijze aan vooraf is gegaan. Deze verwijzingen zijn dan ook louter illustratief van aard.