Einde inhoudsopgave
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/1.4
1.4 Afbakening van het onderzoek
S. Said, datum 13-12-2021
- Datum
13-12-2021
- Auteur
S. Said
- JCDI
JCDI:ADS583448:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Afdeling 2 van Titel 7.12 BW over de overeenkomst van aanneming van werk voorziet in bijzondere regels ten aanzien van de bouw van woningen in opdracht van natuurlijke personen. In dit onderzoek blijft deze bijzondere regeling buiten beschouwing en ligt de focus aldus op de algemene afdeling uit Afdeling 1 van Titel 7.12 BW.
De lastgeving (art. 7:414 BW t/m art. 7:424 BW), de bemiddelingsovereenkomst (art. 7:425 BW t/m art. 7:427 BW), de agentuurovereenkomst (art. 7:428 BW t/m art. 7:445 BW), de overeenkomst inzake de geneeskundige behandeling (art. 7:428 BW t/m art. 7:445 BW) en de reisovereenkomst (Boek 7A BW).
Dit ligt bijvoorbeeld anders voor andere doelen en functies die aan het arbeidsrecht worden toegeschreven, zoals ordening en redistributie. Zie verder: paragraaf 2.1.
Zie voor een bespreking van de kwalificatierechtspraak tot 1997: Jansen & Loonstra 1997.
Omwille van de uitvoerbaarheid is dit onderzoek op diverse manieren afgebakend.De in dat verband gemaakte keuzes worden hieronder per onderwerp nader toegelicht en verantwoord.
De arbeidsovereenkomst, de overeenkomst van opdracht en de overeenkomst van aanneming van werk
Hoewel de kwalificatie van arbeidsrelaties in dit onderzoek centraal staat, wordt dit thema niet in volle omvang behandeld. Dit onderzoek beperkt zich tot een analyse van de arbeidsovereenkomst, de overeenkomst van opdracht en de overeenkomst van aanneming van werk. Met deze afbakening wordt aangesloten bij de structuur en systematiek van de eerste wettelijke regeling rondom de arbeidsovereenkomst in het Burgerlijk Wetboek van 1909. Daarin werden de arbeidsovereenkomst, aanneming van werk en de (voorloper van de) opdrachtovereenkomst tezamen genoemd in artikel 7A:1637 BW (oud), zodat deze overeenkomsten oorspronkelijk hetzelfde ‘moederartikel’ kenden. Andere overeenkomsten op basis waarvan arbeid kan worden verricht, waaronder de species van de aannemingsovereenkomst1 en van de opdrachtovereenkomst2 blijven derhalve buiten beschouwing.
Partijautonomie en ongelijkheidscompensatie
De kwalificatievraag wordt in dit onderzoek beschouwd in het licht van de beginselen partijautonomie en ongelijkheidscompensatie. Daarmee stelt dit onderzoek twee fundamentele beginselen uit het privaatrecht en het arbeidsrecht centraal. De arbeidsovereenkomst behoort tot het privaatrechtelijke domein, waar in beginsel wordt uitgegaan van de autonomie van partijen. De partijautonomie wordt in arbeidsrechtelijke context sterk ingeperkt, door allerlei regelingen van dwingend recht. Die beperking van de partijautonomie wordt voor een belangrijk deel gerechtvaardigd met een beroep op het beginsel ongelijkheidscompensatie, dat ook wel wordt geduid als het grondbeginsel van het arbeidsrecht. De beginselen partijautonomie en ongelijkheidscompensatie kennen daarmee beide een fundamenteel karakter, die bovendien beide zien op partijen: de autonomie van en de ongelijkheid tussen partijen.3
De beginselen partijautonomie en ongelijkheidscompensatie vertonen overigens nauwe verwantschap met de beginselen contractsvrijheid en bescherming, waarmee eveneens wordt uitgedrukt dat partijen in beginsel vrij zijn (al dan niet) met elkaar te contracteren, en dat die vrijheid begrensd kan worden wanneer een van de contractspartijen (veelal: de zwakkere) bescherming behoeft. Toch zijn voornoemde beginselen niet als elkaars synoniemen te duiden. In hoofdstuk 2 wordt stilgestaan bij de verschillen en de onderlinge verhouding tussen voornoemde beginselen, en wordt toegelicht waarom is gekozen voor een focus op de beginselen partijautonomie en ongelijkheidscompensatie.
Arbeidsrechtelijk perspectief
Dit onderzoek richt zich hoofdzakelijk op de kwalificatievraag in arbeidsrechtelijke context: dit is immers waar de arbeidsovereenkomst in het wettelijke stelsel is verankerd. Hoewel het arbeidsrechtelijke kader dus zonder meer de kern van dit onderzoek vormt, wordt in dit onderzoek (in hoofdstuk 7) eveneens stilgestaan bij de kwalificatievraag in het socialezekerheidsrecht, fiscaal recht en EU-recht.
Een bevestigend antwoord op de kwalificatievraag ex artikel 7:610 BW leidt immers niet alleen tot insluiting in het arbeidsrechtelijke regime, maar brengt ook socialezekerheids- en fiscaalrechtelijke gevolgen met zich. Zo dicteert het antwoord op de kwalificatievraag in belangrijke mate of werkenden aanspraak kunnen maken op uitkeringen uit hoofde van de werknemersverzekeringen, en of werkverschaffers gehouden zijn loonheffingen in te houden en af te dragen. Hoewel in de hiergenoemde context de arbeidsrechtelijke toetsingswijze in beginsel leidend is, zijn er ook verschillen. Zo kennen het socialezekerheidsrecht en fiscaal recht op dit vlak aanvullende regelingen, die ertoe strekken duidelijkheid en (tot op zekere hoogte) zekerheid te verschaffen over het antwoord op de kwalificatievraag. Nu artikel 7:610 BW daarbij het uitgangspunt blijft, geldt dat de bevindingen ten aanzien van het arbeidsrechtelijke kader tevens implicaties zullen hebben voor de beantwoording van de kwalificatievraag in het socialezekerheidsrecht en fiscaal recht. Voorts wordt zoals gezegd eveneens stilgestaan bij de beantwoording van de kwalificatievraag in het EU-recht. Hoewel het EU-recht niet direct dicteert hoe lidstaten arbeidsrelaties dienen te kwalificeren, is het daar wel degelijk op van invloed. Zo mogen EU-lidstaten onder meer geen belemmeringen opwerpen voor de in het EU-recht verankerde verkeersvrijheden, zodat de regulering van arbeid op nationaal niveau zich met het EU-recht moet verdragen.
De bespreking van de kwalificatievraag in voornoemde contexten strekt ertoe te onderzoeken hoe de bevindingen ten aanzien van het arbeidsrechtelijke kader zich tot deze aanpalende rechtsgebieden verhouden. Gezien de fundamenteel andere uitgangspunten die in het socialezekerheidsrecht, fiscaal recht en EU-recht gelden, vindt de behandeling van deze onderdelen niet plaats aan de hand van de beginselen partijautonomie en ongelijkheidscompensatie. De bespreking van de kwalificatie van de (arbeids)overeenkomst in de genoemde rechtsgebieden heeft immers enkel tot doel het onderzoek in context en perspectief te plaatsen, en zal derhalve niet verder strekken dan voor dat doel noodzakelijk is.
Temporele afbakening
Dit onderzoek kent voorts een aantal temporele afbakeningen. In het derde hoofdstuk van dit onderzoek wordt in kaart gebracht op welke wijze het wettelijk kader inzake de kwalificatievraag tot ontwikkeling is gekomen. Daarbij wordt het eerste Burgerlijk Wetboek van 1838 als startpunt genomen, zodat de regulering van arbeid in de periode daarvoor niet aan bod zal komen. De bespreking van de kwalificatievraag in de rechtspraak van de Hoge Raad in hoofdstuk 5 en de feitenrechtspraak in hoofdstuk 6, beperkt zich tot de periode na 1997, het jaar waarin het arrest Groen/Schoevers werd gewezen.4 Hoewel voor het resterende deel van het onderzoek geen strikte temporele afbakening wordt gehandhaafd, geldt ook daar dat de focus veelal op de periode na 1997 ligt.