De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip
Einde inhoudsopgave
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/1.2:1.2 Een onderzoek naar de betekenis van partijautonomie en ongelijkheidscompensatie bij de kwalificatie van de arbeidsrelatie
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/1.2
1.2 Een onderzoek naar de betekenis van partijautonomie en ongelijkheidscompensatie bij de kwalificatie van de arbeidsrelatie
Documentgegevens:
S. Said, datum 13-12-2021
- Datum
13-12-2021
- Auteur
S. Said
- JCDI
JCDI:ADS583331:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 14 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2495, tevens NJ 1998, 149 (Groen/Schoevers).
HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1746 (X/Gemeente Amsterdam).
In dit verband wordt ook wel gesproken van de ‘gerechtigdheidsgedachte’, waaruit voortvloeit dat het privaatrecht er ook toe strekt de belangen van de zwakkere contractspartij te beschermen. Zie o.a. Langemeijer 1976, p. 84 e.v. Zie verder: paragraaf 2.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Anno 2021 laat de arbeidsmarkt zich kenschetsen als een rijkgeschakeerd palet van werk en werkenden, waarbij labels als ‘afhankelijk’ en ‘onafhankelijk’ niet zonder meer gekoppeld zijn aan de kwalificaties ‘werknemer’ en ‘zelfstandige’. De wijze waarop arbeidsrelaties juridisch worden gekwalificeerd is mede daarom al jaren onderwerp van het politieke en wetenschappelijke debat. Terugkerende thema’s in dat debat zijn onder meer de invulling van het gezagscriterium uit artikel 7:610 BW en het voor artikel 7:610 BW geldende toetsingskader dat in het arrest Groen/Schoevers uit 1997 werd geïntroduceerd.1
Eind 2020 kreeg dit debat een nieuwe impuls: in het arrest X/Gemeente Amsterdam heeft de Hoge Raad voor het eerst zijn licht laten schijnen op de wijze waarop de kwalificatieformule uit Groen/Schoevers moet worden toegepast.2 De Hoge Raad overwoog in dit arrest dat de kwalificatie van de overeenkomst moet worden onderscheiden van de (voorafgaande) uitleg daarvan, waarbij aan de hand van het Haviltex-arrest moet worden bepaald welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Voorts maakte de Hoge Raad duidelijk dat de vraag of partijen de bedoeling hadden een arbeidsovereenkomst te sluiten, geen gewicht in de schaal legt bij de beantwoording van de kwalificatievraag. In feite onderstreept de Hoge Raad in X/Gemeente Amsterdam het bijzondere karakter van de arbeidsovereenkomst. Hoewel de arbeidsovereenkomst wetssystematisch tot het privaatrechtelijke domein behoort, dat in beginsel uitgaat van contractsvrijheid en partijautonomie, is het bestaan van een arbeidsovereenkomst niet afhankelijk van de wil van partijen.3 In het arbeidsrecht wordt de contractsvrijheid langs verschillende wegen ingeperkt, hetgeen voor een belangrijk deel wordt gerechtvaardigd met een beroep op het beginsel ongelijkheidscompensatie, een van de breedst gedragen grondslagen in het arbeidsrecht. Dit beginsel is gestoeld op de gedachte dat de zwakkere contractspartij moet worden gecompenseerd voor de ongelijke positie die hij ten opzichte van de sterkere contractspartij inneemt. Hierin ligt ook de rechtvaardiging voor het dwingendrechtelijke karakter van het arbeidsrecht: de mogelijkheid om sociaalrechtelijke bescherming (al dan niet onder druk) te kunnen ‘wegcontracteren’, zou die bescherming immers te zeer uithollen.
Dit onderzoek beoogt een bijdrage te leveren aan het maatschappelijke en het wetenschappelijke debat omtrent de kwalificatievraag, door in kaart te brengen op welke wijze de beginselen ‘partijautonomie’ en ‘ongelijkheidscompensatie’ bij de beantwoording van de kwalificatievraag ex artikel 7:610 BW tot uitdrukking komen. Meer concreet wordt onderzocht wanneer een inbreuk op de partijautonomie met een beroep op het beginsel ongelijkheidscompensatie gerechtvaardigd wordt geacht.