De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip
Einde inhoudsopgave
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/1.3:1.3 Onderzoeksvragen
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/1.3
1.3 Onderzoeksvragen
Documentgegevens:
S. Said, datum 13-12-2021
- Datum
13-12-2021
- Auteur
S. Said
- JCDI
JCDI:ADS583407:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het onderzoek is vormgegeven aan de hand van een centrale onderzoeksvraag en een zestal deelvragen. De centrale vraag in dit onderzoek luidt:
Op welke wijze komen de beginselen partijautonomie en ongelijkheidscompensatie tot uiting bij de kwalificatie van de arbeidsrelatie in het (arbeids)overeenkomstenrecht?
Deze onderzoeksvraag wordt beantwoord aan de hand van de volgende deelvragen:
Deelvraag 1
Op welke wijze worden de beginselen partijautonomie en ongelijkheidscompensatie in de literatuur uitgelegd, en welke betekenis wordt in de literatuur aan deze beginselen toegekend bij de kwalificatie van de arbeidsrelatie?
Deelvraag 2
Op welke wijze heeft het wettelijk kader inzake de kwalificatie van de arbeidsrelatie zich ontwikkeld sinds de inwerkingtreding van het eerste Burgerlijk Wetboek uit 1838, en op welke wijze komen de beginselen partijautonomie en ongelijkheidscompensatie daarin tot uitdrukking?
Deelvraag 3
Op welke wijze wordt het wettelijk kader inzake de kwalificatievraag thans uitgelegd, en op welke wijze komen de beginselen partijautonomie en ongelijkheidscompensatie daarin tot uitdrukking?
Deelvraag 4
Op welke wijze dient de kwalificatievraag volgens de Hoge Raad te worden beantwoord, en op welke wijze komen de beginselen partijautonomie en ongelijkheidscompensatie daarin tot uitdrukking?
Deelvraag 5
Op welke wijze wordt de kwalificatievraag in de lagere rechtspraak beantwoord, en op welke wijze komen de beginselen partijautonomie en ongelijkheidscompensatie daarin tot uitdrukking?
Deelvraag 6
Op welke wijze wordt de kwalificatievraag beantwoord in het socialezekerheidsrecht, fiscaal recht en EU-recht, en hoe verhouden die benaderingen zich tot de kwalificatiewijze in het Nederlandse arbeidsrecht?
Langs de lijnen van deze hoofd- en deelvragen krijgt het onderzoek de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 wordt eerst uiteengezet op welke wijze de beginselen partijautonomie en ongelijkheidscompensatie in de literatuur worden uitgelegd en welke rol deze beginselen in sociaalrechtelijke context spelen. In de daaropvolgende hoofdstukken wordt onderzocht op welke wijze deze beginselen tot uiting komen bij de kwalificatie van de arbeidsrelatie. In hoofdstuk 3 komt eerst de totstandkoming van het wettelijk kader inzake de kwalificatievraag aan bod, waarbij de inwerkingtreding van het eerste Burgerlijk Wetboek uit 1838 als startpunt wordt genomen. In hoofdstuk 4 wordt vervolgens het huidige wettelijk kader uiteengezet, gevolgd door een uiteenzetting en beschouwing van het in de rechtspraak ontwikkelde toetsingskader in hoofdstuk 5. Mede aan de hand van de bevindingen uit de hoofdstukken 2 tot en met 5, wordt in hoofdstuk 6 onderzocht hoe de kwalificatievraag in de feitenrechtspraak wordt beantwoord. Meer concreet wordt daarbij in kaart gebracht in hoeverre en op welke wijze de beginselen partijautonomie en ongelijkheidscompensatie in de rechtspraak tot uitdrukking komen. In hoofdstuk 7 wordt de materie in breder perspectief geplaatst, door stil te staan bij de beantwoording van de kwalificatievraag in het socialezekerheidsrecht, fiscaal recht en EU-recht. In hoofdstuk 8 volgt een slotbeschouwing, waarin aan de hand van de bevindingen uit de voorgaande hoofdstukken een antwoord op de centrale onderzoeksvraag wordt geformuleerd.