Einde inhoudsopgave
Personentoetsingen in de financiële sector (O&R nr. 127) 2021/8.4.3
8.4.3 Tuchtrechtinformatie als antecedent
mr. drs. I. Palm-Steyerberg, datum 01-03-2021
- Datum
01-03-2021
- Auteur
mr. drs. I. Palm-Steyerberg
- JCDI
JCDI:ADS268345:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
De minnelijke schikking houdt in dat de bankmedewerker een boete betaalt of een maatregel in de vorm van opleiding of verplichte educatie accepteert, zie art. 1 en 2.2.5 Tuchtreglement.
Zie par. 8.2.6.
De toezichtantecedenten zoals vermeld in onderdeel 4.2 zijn bovendien niet alleen voor de betrouwbaarheidstoetsing, maar ook voor de geschiktheidstoetsing relevant. Zie art. 1.6, tweede lid, onder b Beleidsregel Geschiktheid.
Art. 34, eerste lid Bpr Wft en art. 10, zesde lid Besluit bestuurlijke boetes financiële sector en art. 1:81 Wft.
Kamerstukken II, 33 918, nr. 11, p. 8 en 9. Wel zal de toezichthouder bij het bepalen van de sanctie rekening kunnen houden met een eerdere sanctionering door de tuchtrechter, zie art. 3:4 tweede lid Awb.
Tuchtrechtinformatie, zoals tuchtrechtelijke veroordelingen of minnelijke schikkingen,1 zien op het (niet integer) handelen van een persoon en zullen daarom relevant zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid.
Het lijkt voor de hand te liggen dat de banken zelf de toezichthouder over dergelijke belangrijke zaken inlichten. Op de banken rust de verplichting om de toezichthouder onverwijld te informeren wanneer sprake is van nieuwe informatie of antecedenten die een ander licht kunnen werpen op de vereiste betrouwbaarheid (art. 34 Bpr Wft). Hieronder vallen in ieder geval de antecedenten die staan opgenomen in Bijlage A bij art. 6 Bpr Wft; deze antecedenten zal de toezichthouder namelijk in ieder geval (naast mogelijke andere relevante voornemens, handelingen en antecedenten) bij de betrouwbaarheidstoetsing dienen te betrekken.
Of tuchtrechtelijke informatie als een “benoemd”, op Bijlage A voorkomend antecedent kwalificeert is echter niet volledig duidelijk. Deze Bijlage noemt onder meer het feit dat betrokkene onderworpen is of is geweest aan een tuchtrechtelijke, disciplinaire of andere vergelijkbare procedure “door of vanwege een organisatie van zijn beroepsgenoten”, en deze procedure jegens betrokkene tot maatregelen heeft geleid.2 Het tuchtrecht wordt echter uitgevoerd door de NVB en dit is een organisatie waarin niet de aan het tuchtrecht onderworpen personen, maar de banken zich hebben verenigd. Ook kan worden betwijfeld of het gehele bankpersoneel als “beroepsgenoten” kunnen worden aangeduid.3 Daarnaast geldt dat de tuchtrechter niet bevoegd is wanneer betrokkene het tuchtrecht niet heeft aanvaard. Stuit de Aanklager hier op bij het onderzoeken van de melding, en/of blijkt dat betrokkene eveneens de bankierseed niet heeft afgelegd, dan is dit voor de beoordeling van de geschiktheid relevante informatie (zie paragraaf 8.5.4). De vraag is of gesteld kan worden dat betrokkene in dat geval is onderworpen, of onderworpen geweest, aan een tuchtrechtelijke procedure. Tot maatregelen heeft het in ieder geval niet kunnen komen.
Waarschijnlijk zal de tuchtrechtelijke informatie in dergelijke gevallen geschaard kunnen worden onder de eveneens in Bijlage A genoemde categorie 4.2, “andere feiten en omstandigheden”, gerelateerd aan de financiële toezichtwetgeving, welke redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheid.4 Het zou echter goed zijn om dit in de regelgeving te verduidelijken. Hiermee wordt bevorderd dat de voor de toetsingen relevante tuchtrechtinformatie aan de toezichthouders wordt gemeld.5 Ook zou dit de rechtszekerheid ten goede komen, nu het niet-nakomen van de meldingsplicht kan worden bestraft met een bestuurlijke boete van de tweede categorie (basisbedrag € 500.000).6
In dit verband kan worden opgemerkt dat Bijlage A wel expliciet melding maakt van een beëindiging van de inschrijving van betrokkene bij het Dutch Securities Institute (DSI). Het DSI richt zich op opleiding van medewerkers in de effectenbranche en registreert personen die voldoen aan bepaalde deskundigheids-, integriteits- en vakbekwaamheidseisen in een openbaar register. Het DSI heeft ook een – privaatrechtelijk georganiseerde – tuchtcommissie en een commissie van beroep voor klachten tegen geregistreerden.7 Een expliciete vermelding in Bijlage A lijkt ook voor het bancair tuchtrecht aangewezen.
Overigens zal niet iedere tuchtrechtelijke veroordeling, schikking of ingediende tuchtklacht betekenen dat de betrouwbaarheid niet langer buiten twijfel staat. De toezichthouders zullen de tuchtrechtelijke informatie zelfstandig beoordelen en daarbij een eigen weging toekennen aan de ernst en toerekenbaarheid van de gedragingen in het licht van de door de toezichtwetgeving te beschermen belangen. Voorstelbaar is dat bepaalde gedragingen door de toezichthouder niet van dusdanig gewicht worden geacht dat de betrouwbaarheid niet langer buiten twijfel staat, terwijl (ditzelfde) gedrag heeft geleid tot het opleggen van een tuchtrechtelijke maatregel.8 De toezichthouder is op geen enkele wijze aan het oordeel van de tuchtrechter gebonden.9 Andersom kan ook de tuchtrechter zijn eigen oordeel vellen over de tuchtrechtelijke laakbaarheid van bepaald gedrag, ongeacht de vraag of dit gedrag ook bij de toezichthouder tot een ongunstig betrouwbaarheids- of geschiktheidsoordeel heeft geleid.