Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/3.3.8.3
3.3.8.3 Huidige invulling van bekwaamheid en zedelijkheid
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949473:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie artikel 3a, eerste lid van de Wpo, artikel 7.11, eerste lid van de Wvo 2020, artikel 4.2.1, tweede lid van de Web en artikel 3, eerste lid van de Wec.
Zie artikel 3a, eerste lid van de Wpo, artikel 7.11, eerste lid van de Wvo 2020, artikel 4.2.1, tweede lid, van de Web en artikel 3, eerste lid, van de Web in samenhang met artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties.
Zie artikel 3a, eerste lid en 176b van de Wpo, artikel 7.11, eerste en vijfde lid, van de Wvo 2020, artikel 4.2.1, tweede lid en 4.2.4 van de Web en artikel 3, eerste lid en 162e van de Wec.
Zie over het beroepsverbod voor een leraar bijvoorbeeld Rechtbank Noord-Nederland 1 augustus 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:3167 en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 september 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:7877 en over het niet beschikken over een verklaring omtrent gedrag Rechtbank Noord-Holland 22 juni 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:5765.
Stb. 2005, 80, p. 19 (Nota van toelichting bij het Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel).
Stb. 2017, 148, p. 17.
Brekelmans en van Es 2019, p. 49.
Stb. 2005, 80, p. 20.
Oude artikel 2.1 van het Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel. De zeven oude competenties waren: interpersoonlijke competentie, pedagogische competentie, vakinhoudelijke en didactische competentie, organisatorische competentie, competentie in het samenwerken met collega’s, competentie in het samenwerken met de omgeving en competentie in reflectie en ontwikkeling (Stb. 2005, 80.).
Artikel 2.2 van het Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel.
Artikel 7.6, eerste lid, van de WHW.
Zie hierover artikel 6 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties en de Regeling erkenning EU-beroepskwalificaties onderwijspersoneel (Stcr. 2008, 21).
ABRvS 13 januari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BK8983, Rechtbank Den Haag 13 februari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:1501.
Rechtbank Rotterdam 16 december 2010, ECLI:NL:RBROT:2020:12017.
Mentink e.a. 2021, p. 506.
Artikel 12, derde lid, onder a, van de Wpo, artikel 24, derde lid, onder a, van de Wvo 2020, artikel 1.3.6 van de Web, artikel 21, derde lid, onder a, van de Wec.
Brekelmans en van Es 2019, p. 59.
Artikel 1.20 van de Whw.
Artikel 4a van de Wpo, artikel 3 van de Wpo, artikel 1.3.8 van de Web en artikel 4a van de Wec.
Net als in het verleden geldt nu de hoofdregel dat enkel onderwijs gegeven mag worden door diegene die voldoet aan de in de wet gestelde bekwaamheids- en zedelijkheidseisen. Bij de vraag of iemand nu als leraar werkzaam mag zijn in het primair, voortgezet of middelbaar beroepsonderwijs staan vier begrippen centraal, namelijk benoeming, bevoegdheid, bekwaamheid en zedelijkheid. Het bevoegd gezag benoemt een leraar of stelt een leraar te werk. In beginsel kunnen enkel bevoegde leraren benoemd of tewerkgesteld worden. Een leraar is bevoegd als hij voldoet aan de bekwaamheids- en zedelijkheidseisen. Dit wordt door het bevoegd gezag beoordeeld als de leraar wordt benoemd of tewerkgesteld. Zijn bekwaamheid kan de leraar in beginsel aantonen door te beschikken over een relevant Nederlands getuigschrift.1 Uit dit getuigschrift blijkt dat de leraar op het moment van afsluiting van de opleiding voldoet aan de bekwaamheidseisen. Een leraar die beschikt over een relevant buitenlands getuigschrift kan bevoegd worden geacht op grond van een aan hem verleende erkenning van beroepskwalificaties.2 Daarnaast kan een leraar bevoegd worden geacht op grond van een geschiktheidsverklaring.3 De onderwijssectorwetten bevatten ten slotte een aantal uitzonderingen op grond waarvan een leraar die niet over het juiste getuigschrift of over een geschiktheidsverklaring beschikt alsnog (tijdelijk) benoemd kan worden. Een leraar is enkel bevoegd als hij tevens een verklaring omtrent gedrag kan overleggen en als hij niet krachtens rechterlijke uitspraak van het geven van onderwijs is uitgesloten.4 Dit is een uitwerking van de zedelijkheidseisen uit artikel 23, eerste lid, van de Grondwet.
Zoals hiervoor al kort benoemd moet een student aan de bekwaamheidseisen voldoen alvorens hij het betreffende getuigschrift kan behalen waarmee hij bevoegd leraar kan worden. Deze eisen zijn vastgesteld door de wetgever in het Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel en hebben als doel te waarborgen dat enkel competente leraren voor de klas staan. De bekwaamheidseisen beperken evenwel de mogelijkheid om het beroep van leraar uit te oefenen en raken daarmee aan de autonomie van de leraar. Immers, enkel de leraar die aan de bekwaamheidseisen voldoet kan het beroep uitoefenen. De bekwaamheidseisen worden daarom ook wel intredevoorwaarden voor het beroep van leraar genoemd.5
De regering is niet geheel vrij in het vaststellen van bekwaamheidseisen. Uit de onderwijswetten vloeit voort dat deze eisen in elk geval zien op pedagogisch-didactische kennis, inzicht en vaardigheden en op vakbekwaamheid van de leraar. Daarnaast dient de minister een beroepsorganisatie die representatief is voor het onderwijspersoneel in de gelegenheid te stellen om een voorstel te doen voor bekwaamheidseisen.6 Deze gelegenheid biedt de minister deze organisatie elke zes jaar. De betreffende organisatie moet bij haar voorstel aangeven in hoeverre dit voorstel steun geniet van de vertegenwoordigers van bevoegd gezagsorganen en ouders. Uit de wet vloeit niet voort dat de minister het voorstel van de beroepsorganisatie moet volgen. In 2017 heeft de Onderwijscoöperatie een voorstel gedaan voor het wijzigen van de bekwaamheidseisen, dit voorstel is door de minister vervolgens grotendeels gevolgd.7De beroepsgroep heeft dan ook grote invloed op het formuleren van de bekwaamheidseisen.8 Welke beroepsorganisatie in de toekomst een voorstel zal doen voor het wijzigen van de bekwaamheidseisen is na het opheffen van de Onderwijscoöperatie evenwel onduidelijk (zie over de Onderwijscoöperatie uitgebreider § 3.4.9).
Bij het vaststellen van bekwaamheidseisen is het uitgangspunt dat goed onderwijs staat of valt bij goede leraren.9 In eerste instantie moest de leraar voldoen aan zeven competenties, sinds 2017 is in het Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel vastgelegd dat de leraar moet voldoen aan drie bekwaamheden.10 De bekwaamheid tot het geven van onderwijs bevat de vakinhoudelijke, vakdidactische en pedagogische bekwaamheid.11 Deze drie bekwaamheden zijn weer nader uitgewerkt. Zo valt onder de vakinhoudelijke bekwaamheid onder meer dat de leraar de inhoud van zijn onderwijs beheerst, dat hij boven de leerstof staat en dat hij kan bijdragen aan de algemene vorming van zijn leerlingen. Voor opleidingen die leiden tot een onderwijsbevoegdheid geldt dat zij hun studenten in de gelegenheid moeten stellen om gedurende de opleiding aan de relevante bekwaamheidseisen te voldoen. De bekwaamheidseisen zijn (ook) beroepsvereisten in de zin van artikel 7.6 van de Whw. Het bevoegd gezag van de instelling voor hoger onderwijs draagt er zorg voor dat de student in de gelegenheid wordt gesteld om aan deze vereisten te voldoen, de bekwaamheidseisen moeten dan ook onderdeel uitmaken van de eindtermen van de opleiding.12
In veel gevallen blijkt de bekwaamheid van een leraar uit een diploma van een relevante opleiding behaald aan een Nederlandse hoger onderwijsinstelling. Voor leraren met een diploma dat behaald is in de Europees Economische Ruimte of Zwitserland geldt dat zij hun diploma kunnen laten erkennen.13 In het geval een leraar van buiten de Europees Economische Regio of Zwitserland komt, moet de minister afwegen of het buitenlandse diploma gelijkwaardig is aan het betreffende Nederlandse diploma.14 Uit de jurisprudentie blijkt dat de minister in een dergelijk geval de belangen van de leraar moet afwegen tegen die van scholen en leerlingen.15 Daarbij wordt veel belang toegekend aan goed onderwijs. Het is nodig om eisen te stellen aan leraren om de kwaliteit van het onderwijs te borgen, zoals een voldoende kwalificerende opleiding. Het belang van goed onderwijs dat wordt geborgd door een leraar met het juiste diploma kan ook een rol spelen bij het verlengen van een tijdelijk contract van een leraar. Dit bleek in een zaak waarbij een leraar met een tijdelijke aanstelling binnen twee jaar zijn onderwijsbevoegdheid had moeten behalen.16 Toen dit niet lukte, hoefde de school de aanstelling van de docent mede niet te verlengen gezien het belang van bekwame docenten voor goed onderwijs.
Dat een leraar met een getuigschrift kon aantonen dat hij bekwaam was veranderde in hoofdlijnen niet tot 2017. Tot dat moment werd het grondwettelijke voorschrift over bekwaamheidseisen dan ook formeel uitgelegd.17 Dit veranderde met de inwerkingtreding van de Wet op de beroepen in het onderwijs. Een bevoegde leraar dient sindsdien nadat hij is benoemd of tewerkgesteld zijn bekwaamheid te blijven onderhouden. De wetgever heeft beoogd om bekwaamheid geen rustig bezit te laten zijn. Bekwaamheid dient onderhouden te worden zodat de leraar zich kan blijven professionaliseren en vernieuwen.18 Het bevoegd gezag moet daarom de leraar de ruimte geven om te blijven werken aan zijn eigen professionele ontwikkeling.19 Hierbij ligt formeel de verantwoordelijkheid niet bij de leraar, hij is afhankelijk van de initiatieven die het bevoegd gezag neemt op dit gebied.20
Voor de leraren in het hoger onderwijs zijn geen wettelijke bekwaamheids- en zedelijkheidseisen vastgesteld. Het bevoegd gezag in het hoger onderwijs kan dan ook zelf bepalen of hij een leraar bekwaam acht. In principe kan dan ook iedereen in het hoger onderwijs leraar worden. In het kader van zedelijkheid heeft het instellingsbestuur wel een meldings- en aangifteplicht ingesteld, voor het geval bekend is geworden dat een personeelslid zich schuldig heeft gemaakt aan een zedenmisdrijf jegens een minderjarige student.21 Een soortgelijke bepaling is opgenomen in de Wpo, Wvo 2020, Web en Wec.22