Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/0.4.4
4.4 Vergelijking van EVRM-recht en nationaal recht
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Het is denkbaar dat ook zonder de toepassing van een regel te bestuderen, kan worden vastgesteld dat die regel in een concreet geval zal leiden tot een schending van het ondervragingsrecht. Vóór EHRM (GC) 15 december 2011, appl.nos. 26766/05&22228/06 (Al-Khawaja & Tahery/Verenigd Koninkrijk) was het volgens de EHRM-jurisprudentie bijvoorbeeld uitgesloten dat compenserende factoren een schending van het ondervragingsrecht zouden voorkomen wanneer een beslissende getuige niet door de verdediging kon worden ondervraagd (zie § 2.2.2 van hoofdstuk 7). De Hoge Raad had daar in HR 20 mei 2003, NJ 2003, 672 echter een andere opvatting over. Dikwijls zullen de omstandigheden van een zaak bepalen of de toepassing van een bepaalde regel verenigbaar is met het ondervragingsrecht. Zo leidde toepassing van de regel dat het ondervragingsrecht niet was geschonden wanneer een getuige tijdens een ondervraging had geweigerd vragen te beantwoorden (HR 1 februari 1994, NJ 1994, 427) niet per definitie tot schending van het ondervragingsrecht. Daarvoor was vereist dat de getuigenverklaring van beslissende betekenis was (vgl. EHRM 20 april 2006, appl.no. 4548/02 (Carta/Italië), § 51-52).
Rozemond 2002, p. 1934 en Schalken in zijn noot onder EHRM 5 april 2005, NJ 2005, 551 (Scheper/Nederland) leken daar anders over te denken. Zij hebben betoogd dat beslissingen van de Hoge Raad mogelijk niet Straatsburg-proof zouden zijn, omdat het EHRM bij de vaststelling van het gewicht van de getuigenverklaring onderzoekt of de veroordeling ‘in beslissende mate’ is gebaseerd op die verklaring en niet, zoals de Hoge Raad onderzoekt, of dat ‘in belangrijke mate’ of ‘in voldoende mate’ het geval is. De zaak Scheper zelf is een voorbeeld van een zaak waarin – ondanks de verschillende formuleringen – de oordelen van de Hoge Raad en het EHRM overeenkwamen ten aanzien van het gewicht van de getuigenverklaringen. Zie daarover § 3.3.1 van hoofdstuk 6.
Het vergelijken van het evrm-recht met het nationale recht is niet eenvoudig. Er zal vrij eenvoudig kunnen worden geconcludeerd of de Hoge Raad dezelfde beoordelingsfactoren hanteert als het ehrm en of het deze ook in een zelfde soort beslismodel heeft geordend als het ehrm. Ook zal vrij eenvoudig kunnen worden vastgesteld of de formuleringen die de Hoge Raad hanteert, afwijken van de door het ehrm gebezigde formuleringen. Wanneer dat het geval is, kan op basis daarvan echter doorgaans niet1 worden vastgesteld of de arresten van de Hoge Raad met betrekking tot het ondervragingsrecht in overeenstemming zijn met de Straatsburgse jurisprudentie.2 Daarvoor is het meestal noodzakelijk om ook de uitkomst van de toepassing van de regels in concrete zaken in aanmerking te nemen. Het is immers goed mogelijk dat twee verschillend geformuleerde regels in essentie op hetzelfde neerkomen. Wanneer zowel het ehrm als de Hoge Raad in een concreet geval zou oordelen dat een getuigenverklaring van beslissende betekenis is, kan worden vastgesteld dat de beoordeling van de zaak op dat punt gelijk is, hoewel de gehanteerde regels en uitgangspunten mogelijk verschillen.
Soms is een Nederlandse zaak daadwerkelijk aan het ehrm voorgelegd en is dus bekend hoe het ehrm heeft geoordeeld. Dat is echter niet vaak gebeurd. Ten aanzien van de meeste Nederlandse zaken kan daarom slechts op basis van de relevante regels en uitgangspunten en op basis van gevalsvergelijking worden geconcludeerd hoe het ehrm mogelijk zou oordelen. Daarbij kunnen zich grensgevallen voordoen, waarbij de beslissing van het ehrm niet eenvoudig te voorspellen is.