Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/1.5
1.5 Methodologie
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950297:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Vranken Algemeen deel**** 2014/7. Zie voorts Vranken 2014, 1728-1729.
Asser/Vranken Algemeen deel**** 2014/8. Zie voorts Van Dijck, Snel & Van Golen 2023, p. 88-90.
Vranken 2014, p. 1728.
Vranken 2014, p. 1728.
Vranken 2014, p. 1728.
Voor het boven water krijgen van relevante rechtspraak en literatuur heb ik zowel een eigen zoektocht verricht als de zoektechniek ‘sneeuwballen’ gebruikt (zie Van Dijck, Snel & Van Golen 2023, p. 88). Met behulp van attenderingen vanuit het platform Legal Intelligence heb ik mijn rechtsbronnen wekelijks geactualiseerd (zoektermen ‘opschorten’, ‘opschorting’, ‘6:52 BW’, ‘retentie’, ‘3:290 BW’ en ‘6:262 BW’).
Zie bijv. § 4.4, § 4.5 en § 6.3.2.
Aldus ook Streefkerk, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2013/5. Zie § 2.2 en § 3.7.4.1.
In een functionele rechtsvergelijking worden rechtsregels uit verschillende rechtssystemen die eenzelfde functie hebben vergeleken. Zie Michaels 2019, i.h.b. p. 368-372; Siems 2018, p. 32-33; Oderkerk 2015, p. 612-613; Husa 2015, p. 148-151; Örücü 2012, p. 561-564; Zweigert & Kötz 1998, p. 34-36 en Van Reenen 1995, p. 179-180. Zie ook Nuninga, Recht, plicht, remedie (R&P nr. CA25) 2022, p. 11-12 en Beumers 2021, p. 8-9.
Zie ook Oderkerk 2015, p. 605. Zie bijv. Nuninga, Recht, plicht, remedie (R&P nr. CA25) 2022, p. 12 en Beumers 2021, p. 6.
De wetgever heeft ten aanzien van specifieke punten tevens inspiratie geput uit het Belgische, Franse, Oostenrijkse en Zwitserse recht. Het Belgische en Franse recht zijn tot inspiratie geweest voor een opschortingsbevoegdheid in het geval van ongedaanmakingsverbintenissen over en weer (zie § 4.3.3) en het geval waarin de verbintenissen over en weer voortvloeien uit zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan als bedoeld in art. 6:52 lid 2 BW (zie § 4.4). Het Oostenrijkse HGB en Zwitserse ZGB bevatten een met het Duitse § 369 HGB vergelijkbare bepaling, die eveneens tot inspiratie heeft gediend voor deze omstandigheid uit art. 6:52 lid 2 BW (Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 206 en 209).
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 205. Zie § 2.2 en § 3.7.4.2.
In de parlementaire geschiedenis is wel verwezen naar ‘verschillende buitenlandse wetgevingen’, maar daarbij is niet verklaard welke dit zijn naast het Duitse recht, behoudens de verwijzing ‘In gelijke geest Griekenland 325’ bij de toelichting op de eis dat de verbintenissen over en weer ‘een bepaalde samenhang vertonen’ (Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 205). Zie over bijv. het Franse en Belgische recht Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/11 met verdere literatuurverwijzingen. Frankrijk kent sinds de herziening van het verbintenissenrecht in 2016 een algemeen contractueel opschortingsrecht (enac) in art. 1219 CC. Het Belgische verbintenissenrecht kent sinds 1 januari 2023 een algemeen opschortingsrecht in art. 5.239 BBW. Daarmee is een hiaat in het Belgische BW ondervangen en daarvoor heeft het Nederlandse BW klaarblijkelijk tot voorbeeld gestrekt (zie Stijns & De Rey 2022-2023/66 en De Rey 2021, i.h.b. p. 252). Volgens Oderkerk 2015, p. 605, is een vergelijking met een ander rechtsstelsel alleen zinnig als o.a. de rechtsontwikkeling daar naar alle waarschijnlijkheid verder gevorderd is. Zie ook Beumers 2021, p. 8.
Zie § 2.2.
Dit onderzoek heeft een juridisch-dogmatisch karakter. In dit onderzoek is een beperkte vergelijking met het Duitse recht gemaakt. De rechtshistorie van het algemene opschortingsrecht is beperkt tot hoofdlijnen in de 20e eeuw.
Juridisch-dogmatisch onderzoek heeft een centrale plaats in het rechtswetenschappelijk onderzoek in Nederland en Europa.1 Het onderwerp van juridisch-dogmatisch onderzoek is het geldende positieve recht, zoals dat is neergelegd in geschreven en ongeschreven nationale, Europese en internationale wet- en regelgeving, beginselen, begrippen, leerstukken en rechterlijke uitspraken, en van commentaar is voorzien in de literatuur.2 Het nationale geldende privaatrecht dat is neergelegd in wet- en regelgeving, rechtspraak en daarop betrekking hebbende literatuur is het startpunt in de juridische dogmatiek.3 Buitenlandse literatuur kan onderdeel zijn van die literatuur wanneer een vergelijking met een ander rechtsstelsel wordt gemaakt.4 Uit deze rechtsbronnen worden antwoorden op onderzoeksvragen over het geldende positieve nationale recht afgeleid met behulp van tekstanalytische methoden, praktische argumenten en redeneerwijzen.5 Juridisch-dogmatisch onderzoek dient zowel de rechtswetenschap als de rechtspraktijk.6
De centrale vraag van dit onderzoek heeft betrekking op het geldende positieve nationale recht ten aanzien van het algemene opschortingsrecht en leent zich daarom bij uitstek voor juridisch-dogmatisch onderzoek. Voor dit onderzoek heb ik dan ook gebruikgemaakt van de rechtsbronnen wet- en regelgeving, wetsgeschiedenis, rechtspraak en literatuur.7 Tevens heb ik acht geslagen op een aantal Kommentare op bepaalde Duitse opschortingsrechten, omdat ik in dit onderzoek een beperkte vergelijking met het Duitse recht heb gemaakt. Bij het onderzoek in deze rechtsbronnen volg ik vrijwel steeds hetzelfde patroon, dat ook is terug te zien in de opbouw van de paragrafen en in de bronnenverantwoording. Aan de hand van eerst de wet en de wetsgeschiedenis, vervolgens rechtspraak van eerst de Hoge Raad, daarna de gerechtshoven en ten slotte de rechtbanken, en aan de hand van tot slot literatuur kom ik tot een beantwoording van de deelvragen die tezamen tot mijn beantwoording van de centrale vraag leiden. Voor wat betreft de aangehaalde rechtspraak in vooral feitelijke instanties zij nog opgemerkt dat deze met name ter illustratie of concretisering van het behandelde wordt gebruikt. Wanneer mijn bevinding evenwel is dat deze rechtspraak ten aanzien van een bepaald thema een minder incidenteel karakter heeft, kan die rechtspraak tevens dienen ter onderbouwing van mijn conclusies.8
De bevindingen van het juridisch-dogmatisch onderzoek spiegel ik in voorkomend geval aan het Duitse recht, meer in het bijzonder en overwegend het Zurückbehaltungsrecht als bedoeld in §273 Abs. 1 BGB, omdat het algemene opschortingsrecht daaraan nauw en, voor wat betreft buitenlandse rechtsstelsels, het meest verwant is.9 Deze reflectie vanuit het Duitse recht heeft trekken van een functionele rechtsvergelijking.10 Evenwel heeft de blik op het Duits recht vooral gediend ter inspiratie voor de interpretatie van het algemene opschortingsrecht, alsook de toepassing en uitoefening daarvan, en ter inspiratie voor het aandragen van praktische oplossingen bij bepaalde problemen.11 Deze aanpak past bij de wijze waarop de wetgever met het buitenlandse recht, waaronder vooral het Duitse recht, is omgegaan.12 De wetgever heeft eigen keuzes gemaakt, die hebben geleid tot een ruimer geformuleerd algemeen opschortingsrecht dan het Duitse Zurückbehaltungsrecht.13 Een blik in andere rechtsstelsels dan het Duitse rechtsstelsel ligt niet voor de hand, omdat daarin geen of pas recent een met het algemene opschortingsrecht vergelijkbare bepaling is opgenomen.14 Eventuele citaten over of uit het Duitse recht heb ik onvertaald gelaten. Meestal heb ik in de hoofdtekst de strekking weergegeven en dan de bron geciteerd in een voetnootverwijzing, maar soms heb ik volstaan met een verwijzing naar de bron in de voetnoot.
Aan de rechtshistorie van het algemene opschortingsrecht besteed ik aandacht voor zover ik denk dat dit nodig is voor de plaatsbepaling van het algemene opschortingsrecht. Het algemene opschortingsrecht kreeg met de invoering van het BW in 1992 een plaats in de wet. De rechtsontwikkeling die mede tot deze codificatie heeft geleid, geef ik in hoofdlijnen weer. Voor het overige verwijs ik naar eerdere beschrijvingen van rechtshistorische aard. Het algemene opschortingsrecht is mede een codificatie van voornoemde rechtsontwikkeling, zodat rechtspraak op het gebied van de opschortingsrechten van voor 1992 zijn relevantie kan hebben behouden.15