Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/6.6.2.2
III.6.6.2.2 Ten aanzien van de inhoud
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS625098:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 5.3.2.4 en Kamerstukken II 1992/93, 17141, 12, p. 39 (MvA II), Parl. Gesch. Inv. p. 1771, waarin de minister het legaat met keuzemogelijkheid ten aanzien van de legataris uitdrukkelijk erkent.
Vergelijk ook paragraaf 3.3.5.1. Het Reichsgericht geeft twee criteria waarmee willekeur kan worden voorkomen: 1. Het bepaaldheidsvereiste. Erflater zal een afgebakende groep van potentiële erfgenamen moeten aanwijzen, waaruit de derde zijn keuze kan maken; 2. Het meegeven van sachlichen Auswahlgesichtspunkte, waaronder, in strijd met de letterlijke bewoording van § 2065 II BGB, ook een reines Werturteil kan vallen.
Hof Arnhem 10 januari 1934, NJ 1934/p. 1205, betreft een bepaling uit statuten van een N.V die ziet op interne rechtsverhoudingen. Zoals Waaijer 1993, par. 1.1.2 opmerkt, vormen statuten een conglomeraat van eigensoortige grondregels, waaronder regels welke de onderlinge betrekkingen bepalen tussen de rechtspersoon en degenen die bij zijn organisatie zijn betrokken. Voor wat deze regels betreft, dient te worden beseft dat Hof Arnhem 10 januari 1934, NJ 1934/p. 1205 ten aanzien hiervan nog aansloot bij de overeenkomst-theorie. Inmiddels is deze theorie evenwel verlaten en heeft zij plaats gemaakt voor de idee dat de rechtsbetrekkingen tussen de persoon en degenen die bij zijn organisatie betrokken zijn moet worden gezien als rechtsbetrekkingen van eigen aard, sui generis (de institutionele leer). Hetgeen ik over Hof Arnhem 10 januari 1934, NJ 1934/p. 1205 opmerk, dient evenwel telkens gelezen te worden in de geest van 1934. Dat wil zeggen vanuit de overeenkomst-gedachte.
Vgl. hetgeen ik opmerkte in noot 108 van dit hoofdstuk.
Zie ook Kleijn 1969, p. 294: ‘Juist de goede trouw beperkt de willekeur van de aanwijzer…’.
Ten aanzien van de vraag in hoeverre het mogelijk is om een ander iets te laten bepalen ten aanzien van de inhoud van een uiterste wilsbeschikking, is zoals in hoofdstuk 4 en 5 van dit onderzoek naar voren kwam mijns inziens het bepaaldheidsvereiste richtinggevend. Het bepaaldheidsvereiste verlangt steeds dat een door erflater gemaakte uiterste wilsbeschikking in voldoende mate is bepaald.
Ik noem als voorbeeld van een uiterste wilsbeschikking die in voldoende mate door erflater is bepaald: het legaat met keuzemogelijkheid ten aanzien van de legataris.1 De erflater bakent een groep van potentiële legatarissen af en laat het aan een derde (X) over om te bepalen wie als legataris optreedt. Indien deze groep van potentiële legatarissen bijvoorbeeld is afgebakend door de woorden ‘een lid van de KNB’ of ‘een van mijn kinderen’ zou er toch sprake kunnen zijn van willekeurig handelen door X. De kans dat X willekeurig handelt, neemt evenwel af indien erflater nog andere objectieve richtlijnen geeft, zoals ‘met zeven jaar werkervaring in het notariaat en gespecialiseerd in het erfrecht’ resp. ‘die zijn of haar masterdiploma in de Rechtsgeleerdheid binnen vijf jaren na mijn overlijden behaalt’.2
In paragraaf 4.3.3.2 gaf ik reeds een ander, mijns inziens sprekend, voorbeeld van een rechtshandeling die voldoende bepaalbaar is en waarin toch sprake kan zijn van willekeurige handelen door een derde. Dit voorbeeld speelde zich af in de overeenkomstrechtelijke sfeer. Het betrof de uitspraak van Hof Arnhem 10 januari 1934, NJ 1934/p. 1205. In deze uitspraak had het college van commissarissen de bevoegdheid om aan aandeelhouders die in strijd handelde met een bepaling uit de statuten3 een door het college van commissarissen te bepalen boete op te leggen. Wegens strijd met de bepaling uit de statuten legde het college van commissarissen aan de betreffende aandeelhouder een boete op van ƒ. 10.000. Het Hof oordeelde dat aan de eis van bepaaldheid wordt voldaan, indien in de overeenkomst zijn vastgelegd de aard van de verbintenis en de wijze waarop te zijner tijd haar omvang zal zijn vast te stellen. In de statuten was voorgeschreven dat de omvang van de boete wordt bepaald door het college van commissarissen, zodat aan de eis van bepaaldheid genoegzaam is voldaan. Toch kon er willekeurig door het college van commissarissen worden gehandeld, omdat er aan de boete geen grens was gesteld. Deze grens werd evenwel gegeven door de bepaling van art. 1374 oud BW, dat verlangde dat elke overeenkomst te goeder trouw ten uitvoer wordt gelegd. Er mocht door het college van commissarissen met andere woorden als boete slechts in rekening worden gebracht een redelijke prijs. Het Hof bracht de boete van ƒ. 10.000 dan ook terug naar ƒ. 200. Dit voorbeeld laat zien dat de redelijkheid en billijkheid willekeurig handelen kan corrigeren.
Kort samengevat kan worden gesteld dat het bepaaldheidsvereiste niet kan voorkomen dat er van willekeurig handelen door de persoon die de uiterste wilsbeschikking nader mag invullen, geen sprake kan zijn. Ook indien voldaan wordt aan het bepaaldheidsvereiste kan willekeur de kop opsteken. Dit blijkt te meer uit de hierna volgende paragraaf 6.6.2.3, waarin erflater de inhoud van de uiterste wilsbeschikking zelfs in volledigheid heeft bepaald.
Hoe meer objectieve richtlijnen erflater evenwel aan de gedelegeerde meegeeft, hoe minder ruimte er zal zijn voor willekeurig handelen door de gedelegeerde.4 Voorts laat het voorbeeld van Hof Arnhem 10 januari 1934, NJ 1934/p. 1205 zien dat de redelijkheid en billijkheid bij kan springen en willekeurig handelen waar nodig kan corrigeren (zie ook paragraaf 4.3.5 ‘Objectivering door redelijkheid en billijkheid voorkomt willekeur’).5