Fiscaal overgangsbeleid
Einde inhoudsopgave
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/5.2.2.1:5.2.2.1 Rationele verwachtingen
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/5.2.2.1
5.2.2.1 Rationele verwachtingen
Documentgegevens:
dr. M. Schuver-Bravenboer, datum 01-02-2009
- Datum
01-02-2009
- Auteur
dr. M. Schuver-Bravenboer
- JCDI
JCDI:ADS415008:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Wetgeving
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 8 oktober 2004, nr. 39 612, BNB 2005/43 (m.nt. Zwemmer), ro. 3.6.
NTFR 2004/1496.
Shaviro 2000, p. 19.
Vgl. Kaplow 1986, p. 517.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor het maken van een goede inschatting van de waarschijnlijkheid van een wetswijziging is zelfwerkzaamheid van de belastingplichtige vereist. In HR 8 oktober 2004, nr. 39 612 heeft de Hoge Raad neergelegd dat zelfs een behoorlijke mate van zelfwerkzaamheid wordt verwacht. In casu had de belastingplichtige namelijk uit de tariefsverlaging die plaatsvond bij de invoering van de Wet IB 2001 moeten afleiden dat de 35%-regeling zou worden omgezet in een 30%-regeling:1
‘De bestaande buitenwettelijke regeling hing zo duidelijk samen met de invloed van de hoogte van de inkomstenbelasting op het netto besteedbare inkomen van tijdelijk hier te lande tewerkgestelde werknemers, dat belanghebbende en de betrokken werknemers in redelijkheid niet mochten verwachten dat bij de aanzienlijke verlaging van het tarief van die belasting met ingang van 2001, de mogelijkheid van de belastingvrije vergoeding geheel ongemoeid zou worden gelaten.’
Van de belastingplichtige wordt derhalve meer verwacht dan het volgen van wetswijzigingen; hij moet zelfs inschattingen maken ten aanzien van wijzigingen in de met de wet samenhangende regelingen in de uitvoeringssfeer. In mijn commentaar bij dit arrest heb ik aangegeven dat ik dit standpunt – mede gelet op de achtergrond van de 35%-regeling – vergaand vind. 2 Nu dit evenwel door de Hoge Raad is beslist, moet toch ervan uit worden gegaan dat de belastingplichtige verplicht is een onderzoekende houding aan te nemen en in staat moet zijn verschillende signalen te combineren. Het oordeel van de Hoge Raad geeft ook steun aan het uitgangspunt dat ik – ten einde een objectief beoordelingskader voor overgangssituaties te kunnen ontwerpen – in dit onderzoek hanteer, inhoudende dat belastingplichtigen aan de hand van hetgeen zij kunnen waarnemen rationele verwachtingen vormen ten aanzien van toekomstige wetswijzigingen. Ook in de Amerikaanse literatuur wordt dit uitgangspunt gehanteerd. Shaviro verstaat onder rationele verwachtingen:3
‘Thus, when people have reason to care about future government policy, I generally assume that they make reasonably good use of available information that sheds light on it, including what the government has done in the past, its leaders’ incentives or apparent beliefs, and the balance of political forces.’
Of belastingplichtigen op verwachte wetswijzigingen anticiperen, hangt mede af van hun verwachtingen omtrent het overgangsregime. Als het vermoeden bestaat dat ‘bestaande toestanden’ niet of nauwelijks worden geëerbiedigd, zullen zij eerder geneigd zijn tot anticipatie indien dat mogelijk is (par. 5.2.2.2).
Een ander aandachtspunt is dat niet alleen rationele verwachtingen worden gevormd ten aanzien van de kans op en de inhoud van een toekomstige wetswijziging, doch ook nieuwe informatie in die inschatting moeten worden verwerkt.4 Het vormen van rationele verwachtingen is derhalve een continue proces dat stopt op het moment dat het wetsvoorstel door de Eerste Kamer is aangenomen. Des te vaker belastingplichtigen in dit proces hun verwachtingen moeten bijstellen, des te lastiger wordt het voor hen om op juiste wijze op de wetswijziging te anticiperen (zie par. 9.5.1).
Objectieve criteria ter beoordeling van de vraag of belastingplichtigen een wetswijziging hadden kunnen verwachten, zijn: het criterium van stimulerings- en ontmoedigingsmaatregelen (par. 5.3), het criterium van verwachtingen ontleend aan de rechtsregel (par. 5.4), het criterium van de onduidelijke rechtstoestand (par. 5.5) en het criterium van de voorzienbaarheid van een wetswijziging (par. 5.6). In dit kader is overigens steeds van belang dat een voorzienbare wetswijziging ook steeds kenbaar is. Belastingplichtigen kunnen immers onmogelijk rekening houden met een nieuwe regel als de inhoud van de nieuwe regel niet bekend is. In par. 5.6.2 kom ik op het onderscheid tussen voorzienbaarheid en kenbaarheid terug.
Het uitgangspunt dat belastingplichtigen rationele verwachtingen vormen ten aanzien van het voortbestaan van de oude regel c.q. een toekomstige wetswijziging en naar aanleiding van deze verwachtingen op een wetswijziging anticiperen, roept echter een aantal kritische vragen op. Deze komen in par. 5.2.2.3 aan de orde.