Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/11.3.11.3
11.3.11.3 Jurisprudentie over de fiscale indeplaatstreding
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491415:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het ging in dit arrest meer specifiek over de fiscale indeplaatstreding zoals opgenomen in de doorschuifregeling van art. 17 Wet IB 1964. Die regeling is sinds 2001 in gewijzigde vorm opgenomen in art. 3.63 Wet IB 2001. De willekeurige afschrijving is op dit moment geregeld in art. 8, lid 1, Wet VPB 1969 jo. art. 3.31 t/m art. 3.39 Wet IB 2001.
Zie ook Kamerstukken II 2002/03, 28 608, nr. 3, p. 50, waarin is aangetekend dat de fiscale indeplaatstreding van art. 15aj, lid 5, Wet VPB 1969 inhoudt dat een bij de fiscale eenheid nog niet uitgewerkte aanspraak op willekeurige afschrijving overgaat naar de ontvoegde dochtermaatschappij die de desbetreffende vermogensbestanddelen heeft meegekregen.
Hof ’s-Hertogenbosch, V-N 2015/45.12.
Uit het voor de inkomstenbelasting gewezen arrest BNB 2001/245 kan worden afgeleid dat de fiscale indeplaatstreding ook de willekeurige afschrijving omvat.1 Vertaald naar de rechtsfiguur van de splitsing betekent dit oordeel van de Hoge Raad dat iedere verkrijgende rechtspersoon wat betreft verkregen bedrijfsmiddelen de positie van de splitsende rechtspersoon met betrekking tot de willekeurige afschrijving continueert. Slechts voor zover bij de splitser nog niet geëffectueerde aanspraken op willekeurige afschrijving aanwezig zijn, kunnen de verkrijger(s) willekeurig afschrijven.2 Uit dit arrest kan daarnaast – nog steeds toegespitst op de splitsing – worden opgemaakt dat een verkrijger het door de splitser gevolgde winstbepalingsstelsel overneemt. Het staat de verkrijger evenwel vrij dat stelstel te wijzigen indien goed koopmansgebruik dit rechtvaardigt.
In een uitspraak van Hof ’s-Hertogenbosch stond de fiscale indeplaatstreding van art. 14b, lid 2, Wet VPB 1969 centraal.3 De verdwijnende rechtspersonen exploiteerden vóór deze juridische fusie kavels grond via verhuur- en erfpachtcontracten. De kavels kwalificeerden bij hen als bedrijfsmiddelen. Nadat de kavels door middel van een fiscaal gefaciliteerde juridische fusie waren overgegaan naar de verkrijgende rechtspersoon, verkocht deze een aantal kavels. In geschil was of de verkrijger een herinvesteringsreserve als bedoeld in art. 8, lid 1, Wet VPB 1969 jo. art. 3.54 Wet IB 2001 kon vormen. Daarvoor is vereist dat deze kavels bij deze verkrijger direct vóór de vervreemding kwalificeerden als bedrijfsmiddelen. Volgens het hof was dit het geval. De fiscale indeplaatstreding brengt volgens het hof mee dat de verkregen kavels voor de verkrijger (eveneens) bedrijfsmiddelen vormden omdat de exploitatie na de juridische fusie ongewijzigd door de verkrijgers was voortgezet. Het enkele voornemen tot vervreemding van de kavels brengt niet mee dat de functie binnen de onderneming wijzigt.