Einde inhoudsopgave
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/4.2.2
4.2.2 Lennartz-arrest
dr. S.T.M. Beelen, datum 01-03-2010
- Datum
01-03-2010
- Auteur
dr. S.T.M. Beelen
- JCDI
JCDI:ADS299534:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 11 juli 1991, zaak C-97/90, FED 1991/647 (aant. D.B. Bijl).
HvJ EG 2 juni 2005, zaak C-378/02 (Waterschap Zeeuws-Vlaanderen), BNB 2007/220 (noot B.G. van Zadelhoff).
Het hof zal hier bedoelen niet-belastbare handelingen, de handelingen als niet-belastingplichtige of als niet als zodanig handelende belastingplichtige. De Engelse vertaling van het Lennartz-arrest spreekt over ‘non-taxable transactions’, de Duitse vertaling over ‘nicht besteuerten Umsätzen’ en de Franse vertaling over ‘opérations non taxées’. Het hof zal met ‘niet belaste handelingen’ niet bedoeld hebben ‘vrijgestelde handelingen’. Inherent aan de in art. 20, lid 2, Zesde richtlijn bedoelde herziening is immers dat aanvankelijk in verband met gebruik voor vrijgestelde handelingen niet aftrekbare voorbelasting door later gebruik voor belaste handelingen toch alsnog (gedeeltelijk) aftrekbaar wordt.
HvJ EG, 13 maart 2008, zaak C-437/06 (Securenta), V-N 2008/14.20.
Uit HR 10 oktober 2008, nr. 41570, BNB 2009/26 (noot Bijl) valt af te leiden dat de Hoge Raad hier anders over denkt wanneer er sprake is van een lichaam (i.c. een gemeente) dat zowel als belastingplichtige als als niet-belastingplichtige handelt. Dit lichaam dat als niet-belastingplichtige goederen aanschaft die het later als belastingplichtige gaat gebruiken, zonder ze eerst als niet-belastingplichtige gebruikt te hebben, kan alsnog de op de aanschaf drukkende belasting in aftrek brengen (‘herzien’). De Hoge Raad overweegt: ‘4.3.2. Vaststaat dat belanghebbende in het onderwerpelijke tijdvak handelingen verrichtte als ondernemer, onder meer die welke zijn vermeld in onderdeel 4.5, slot, van ’s Hofs uitspraak. Het is buiten redelijke twijfel dat de leveringen die een publiekrechtelijk lichaam dat niet alleen als overheid maar ook als belastingplichtige handelt, tegen een vergoeding verricht, moeten worden aangemerkt als economische activiteiten in de zin van artikel 4, lid 2, van de Zesde richtlijn. Dit geldt ook voor een incidentele levering, dat wil zeggen de levering van een zaak die het lichaam gewoonlijk niet levert. De levering tegen vergoeding door een publiekrechtelijk lichaam is alleen dan niet aan te merken als een economische activiteit indien de levering moet worden aangemerkt als overheidshandelen in de zin van artikel 4, lid 5, van de Zesde richtlijn of indien het gaat om de levering van een zaak die het lichaam heeft aangeschaft met het oog op het verrichten van andere activiteiten dan economische activiteiten (daaronder begrepen werkzaamheden of handelingen die het lichaam als overheid verricht) en uitsluitend ten behoeve daarvan heeft gebruikt.’ Dus als de geleverde zaken weliswaar zijn aangeschaft met het oog op het verrichten van andere dan economische activiteiten, maar daarvoor nog niet zijn gebruikt, is de levering een economische activiteit.
In het Lennartz-arrest1 ging het om de Duitser Lennartz die deels als werknemer actief en deels (voor 8% van zijn tijd) als zelfstandig gevestigd belastingadviseur actief was. Hij kocht een auto. Bij de aanschaf kon hij geen voorbelasting in aftrek brengen omdat op dat moment in Duitsland de regel gold dat je alleen aftrek had als je ten minste 10% van de voorbelasting in aftrek kon brengen. Een jaar na aanschaf van de auto ging Lennartz volledig als belastingadviseur werken. Op basis van de Duitse herzieningsregels (gebaseerd op art. 20, lid 2, Zesde richtlijn) vroeg hij een deel van de op de aanschaf drukkende btw alsnog terug. De Duitse Belastingdienst weigerde de teruggaaf omdat Lennartz geacht werd de auto uitsluitend voor privédoeleinden te hebben gekocht. Het Hof van Justitie EU begint met de volgende overweging:
8 Ingevolge artikel 17, lid 1, van de Zesde richtlijn (‘Ontstaan en omvang van het recht op aftrek’) ontstaat het recht op aftrek op het tijdstip waarop de aftrekbare belasting verschuldigd wordt. Derhalve is het bestaan van een recht op aftrek alleen afhankelijk van de hoedanigheid waarin iemand op dat tijdstip handelt. Zoals blijkt uit artikel 17, lid 2, mag de als zodanig optredende belastingplichtige die goederen voor zijn belaste handelingen gebruikt, de voor deze goederen verschuldigde of voldane BTW aftrekken.
Uit deze overweging valt af te leiden dat sowieso geen recht op aftrek bestaat wanneer niet in de hoedanigheid van belastingplichtige wordt gehandeld op het moment dat het recht op aftrek ontstaat. Later, bij de bespreking van het Waterschap Zeeuws-Vlaanderen-arrest2, zal blijken dat het hof op deze overweging teruggrijpt. Aftrek kan dus alleen aan de orde komen als er een belastingplichtige is; er is een belastingplichtige, zegt het hof onder verwijzing naar het Rompelman-arrest, als een particulier goederen betrekt met het oog op een economische activiteit in de zin van art. 4, ook wanneer de goederen niet onmiddellijk voor deze economische activiteit worden gebruikt. Of de (investerings)goederen zijn betrokken ten behoeve van economische activiteiten in de zin van art. 4 Zesde richtlijn, is een feitelijke vraag die moet worden beoordeeld met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de betrokken goederen en het tijdsverloop tussen het moment waarop zij zijn betrokken, en dat van hun gebruik voor de economische activiteiten van de belastingplichtige.
Met betrekking tot art. 20, lid 2, Zesde richtlijn (bepaling die de herziening van de aftrek bij investeringsgoederen regelt, thans art. 187 btw-richtlijn) merkt het hof op dat deze bepaling zich ertoe beperkt de berekeningsmethode voor de herziening van de oorspronkelijke aftrek vast te leggen. Zij kan derhalve geen recht op aftrek in het leven roepen en evenmin de door een belastingplichtige in verband met zijn niet belaste3 handelingen betaalde belasting omzetten in aftrekbare belasting in de zin van art. 17. Ook hebben volgens het hof de herzieningsperiodes van art. 20, lid 2, Zesde richtlijn als zodanig niets van doen met de vraag, of de goederen voor deze economische activiteiten zijn betrokken.
Ten slotte merkt het Hof van Justitie EU op dat een belastingplichtige die goederen voor een economische activiteit gebruikt, op het moment van verkrijging van die goederen recht op aftrek van de betaalde voorbelasting heeft overeenkomstig het bepaalde in art. 17 Zesde richtlijn, hoe gering het gebruik voor bedrijfsdoeleinden in verhouding ook is (met andere woorden: de Duitse 10%- regel kon niet door de beugel).
Het ontstaan van het recht op aftrek is alleen afhankelijk van de vraag of de goederen en diensten zijn aangeschaft door een als zodanig handelende belastingplichtige. De omvang van het recht op aftrek krachtens art. 17 Zesde richtlijn en van eventuele latere herzieningen wordt bepaald door het voorgenomen of daadwerkelijk gebruik. Hieruit valt af te leiden dat indien en voor zover er geen recht op aftrek ontstaat omdat de goederen en diensten worden verworven door een niet-belastingplichtige of door een niet als zodanig handelende belastingplichtige, later gebruik als belastingplichtige of een latere toename in het gebruik als belastingplichtige niet alsnog een recht op aftrek kan doen ontstaan. Dus ook wanneer later het gebruik als belastingplichtige in verhouding tot het totale gebruik toeneemt zal dit geen nieuw recht op aftrek doen ontstaan. Bijna zeventien jaar na het Lennartz-arrest formuleert het Hof van Justitie EU nog eens helder en duidelijk dat de pro rata-bepalingen van art. 17, lid 5, en art. 19 Zesde Richtlijn niet van toepassing zijn op gemengd gebruik als belastingplichtige en niet-belastingplichtige. Het hof overweegt in het Securenta-arrest4 het volgende:
33. De Zesde richtlijn bevat geen regeling inzake de methoden of criteria die de lidstaten moeten toepassen bij de vaststelling van bepalingen voor de verdeling van de voldane voorbelasting naargelang de overeenkomstige kosten verband houden met economische dan wel niet-economische activiteiten. Zoals de Commissie heeft opgemerkt, hebben de regels van de artikelen 17, lid 5, en 19 van de Zesde richtlijn betrekking op de voorbelasting over kosten die uitsluitend verband houden met economische activiteiten, waarbij deze activiteiten worden opgesplitst in belaste economische activiteiten, met recht op aftrek, en vrijgestelde economische activiteiten, zonder recht op aftrek.
Dus alleen indien en voor zover als belastingplichtige wordt gehandeld komt op basis van het gebruik voor belaste en niet belaste prestaties toepassing van een pro rata op basis van art. 17, lid 5, en art. 19 Zesde richtlijn aan de orde. Naar mijn mening kan ook art. 20 Zesde richtlijn (thans art. 184 e.v. btw-richtlijn) geen recht op aftrek doen ontstaan. Met betrekking tot art. 20, lid 2, Zesde richtlijn (thans art. 187 btw-richtlijn) is het Lennartz-arrest hier duidelijk over: dit kan geen recht op aftrek in het leven roepen en evenmin de door een belastingplichtige in verband met zijn niet belaste handelingen betaalde belasting omzetten in aftrekbare belasting in de zin van art. 17. Wat voor art. 20, lid 2, Zesde richtlijn geldt, geldt mijns ook voor art. 20, lid 1, Zesde richtlijn (thans art. 184 t/m 186 btw-richtlijn). Op basis van dit artikel kan de toegepaste aftrek worden herzien als die hoger of lager is dan die welke de belastingplichtige gerechtigd was toe te passen. Het gaat dus over herziening door de belastingplichtige. Het kan dus geen betrekking hebben op de aftrek door een niet-belastingplichtige, en kan daarom ook niet de op niet-belastingplichtige activiteiten betrekking hebbende, niet voor aftrek in aanmerking komende voorbelasting bij later gebruik voor belastingplichtige activiteiten omzetten in aftrekbare belasting.5
Voor Lennartz was mijns inziens de conclusie dat hij op het moment van de aanschaf kon kiezen tussen of de auto geheel tot zijn bedrijfsvermogen rekenen of de auto voor 8% tot zijn bedrijfsvermogen en voor 92% tot zijn privé-vermogen rekenen (hij handelde immers op het moment van aanschaf als zelfstandig gevestigd belastingadviseur voor 8% als belastingplichtige). Als hij voor het laatste zou kiezen zou hij bij een toename van het zakelijk gebruik in latere jaren geen extra aftrek meer kunnen claimen.