Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/16.9.3.1:16.9.3.1 Uitkering van dividend
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/16.9.3.1
16.9.3.1 Uitkering van dividend
Documentgegevens:
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS404667:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Sinds de nieuwe nummering van de Richtlijn in 2012 is de uitkeringsregeling (inhoudelijk ongewijzigd) opgenomen in art. 17 RL.
Zie Schutte-Veenstra 1991, p. 80.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De implementatie van de Tweede Richtlijn bracht voor zowel de NV als de BV een nieuwe uitkeringsregeling mee. Conform de artikelen 15 en 16 van de Richtlijn werd in art. 2:216 BW bepaald dat de BV “aan de aandeelhouders en andere gerechtigden op de voor uitkering vatbare winst slechts uitkeringen [kon] doen voor zover haar eigen vermogen groter [was] dan het bedrag van het geplaatste kapitaal vermeerderd met de reserves die krachtens de wet of de statuten niet mogen worden uitgekeerd”.1 Deze nieuwe formulering van art. 2:105/216 BW kwam materieel overeen met hetgeen reeds was bepaald in art. 2:106/217 BW, namelijk dat verliezen van voorgaande jaren die niet uit een reserve bestreden of anderszins gedelgd waren, moesten worden aangezuiverd voordat winst van volgende jaren mocht worden uitgekeerd. De artikelen 2:106 en 2:217 BW kwamen daarom te vervallen.
Daarnaast werd uitdrukkelijk in de wet opgenomen dat uitkering van winst moest geschieden na vaststelling van de jaarrekening waaruit de winst bleek. Indien de vennootschap tussen de datum van afsluiting van het boekjaar en de datum van uitkering verliezen had geleden of eigen aandelen had ingekocht, hoefde daar ingevolge de Richtlijn geen rekening mee te worden gehouden.2